10/2956 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2010, 10/34 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 18 januari 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 21 december 2010, waar partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). 1.
- Bij besluit van 28 augustus 2009 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 19 augustus 2009 ingetrokken. Bij besluit van 16 november 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 augustus 2009 ongegrond verklaard. 1.
- Op 4 januari 2010 heeft appellant beroep ingesteld tegen het besluit van 16 november
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van - kort gezegd - niet-verschoonbare termijnoverschrijding.
- Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De Raad stelt voorop dat in hoger beroep uitsluitend de vraag aan de orde is of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Derhalve kan de Raad zich niet uitlaten over de vraag of het College bij het besluit van 16 november 2009 de intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 19 augustus 2009 terecht heeft gehandhaafd. 4.
- Appellant betwist niet dat de wettelijke termijn van zes weken voor het instellen van beroep ten tijde van de indiening van het beroepschrift was verstreken. 4.
- Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest. 4.
- Appellant stelt zich op het standpunt dat hij vanwege gezondheidsklachten niet in staat is geweest tijdig beroep in te stellen. 4.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Ook voor de Raad is niet komen vast te staan dat appellant gedurende de beroepstermijn in verband met zijn lichamelijke gesteldheid al dan niet in combinatie met zijn psychische klachten niet in staat is geweest om een - al dan niet voorlopig - beroepschrift in te (laten) dienen. Door appellant zijn ook in hoger beroep geen (medische) gegevens overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat hem ter zake van de termijnoverschrijding geen verwijt treft. 4.
- Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd. 4.
- Nu de aangevallen uitspraak wordt bevestigd, dient het verzoek van appellant om schadevergoeding te worden afgewezen.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari
- (get.) J.F. Bandringa. (get.) C. de Blaeij. NK