10/4089 ANW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2010, 09/4332 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb). Datum uitspraak: 21 januari 2011 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 17 december
- Partijen zijn niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante heeft een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd in verband met het overlijden van haar [echtgenoot] op 29 december
- Appellantes echtgenoot ontving een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). 1.
- Bij besluit van 31 maart 2009 heeft de Svb appellante een nabestaandenuitkering geweigerd op de grond dat appellantes echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. 1.
- In bezwaar heeft appellante naar voren gebracht dat haar echtgenoot nimmer bericht heeft ontvangen over de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren. Dit is door de Svb tevens opgevat als een verzoek om postume toelating tot de vrijwillige verzekering. Dit verzoek is bij besluit van 12 oktober 2009 afgewezen. Appellantes bezwaar daartegen is bij besluit van 28 januari 2010 ongegrond verklaard. Appellante heeft daartegen beroep en vervolgens hoger beroep ingesteld. 1.
- Bij het bestreden besluit van 14 augustus 2009 heeft de Svb zijn besluit van 31 maart 2009 tot weigering van een nabestaandenuitkering na bezwaar gehandhaafd.
- De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de echtgenoot van appellante noch verplicht, noch vrijwillig verzekerd was voor de ANW en dat appellante ook aan het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko geen aanspraak op een nabestaandenuitkering kan ontlenen. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat appellantes beroep tegen de weigering haar echtgenoot postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering, alsmede een nog lopend bezwaar van appellante tegen een besluit tot terugvordering van te veel betaalde AOW-uitkering, niet aan de orde zijn.
- In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat zij zich in een slechte financiële positie bevindt en dat zij niet in staat is haar familie te onderhouden. 4.
- De Raad sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Partijen verschillen er niet over van mening dat appellantes echtgenoot niet verzekerd was voor de ANW. Appellante kan aan die wet derhalve geen aanspraak ontlenen. Hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent de onwetendheid van haar echtgenoot over de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren, zal aan de orde komen in de procedure over de weigering hem postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering. 4.
- Wat appellante naar voren heeft gebracht over haar financiële positie, kan aan het vorenstaande niet afdoen. 4.
- Het onder 4.1 en 4.2 overwogene leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari
- (get.) M.M. van der Kade. (get.) M.A. van Amerongen. IvR