09/1508 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 februari 2009, 08/4985(hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College) Datum uitspraak: 25 januari 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2010. Voor appellant is mr. Klaas verschenen. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving vanaf 22 maart 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij is adresloos en ingeschreven op een briefadres. 1.2. Bij brief van 20 september 2007 heeft het College appellant meegedeeld dat onderzoek wordt verricht naar de woon- en leefsituatie van bijstandsgerechtigden die geen vast verblijfadres hebben en staan ingeschreven op een briefadres, met het verzoek op het bijgevoegde inlichtingenformulier zijn feitelijke verblijfplaats(en)/adres(sen) van de afgelopen drie maanden op te geven en dit formulier uiterlijk 27 september 2007 in te leveren. 1.3. Appellant heeft op het inlichtingenformulier, gedagtekend 1 oktober 2007 en door het College ontvangen op 3 oktober 2007 (hierna: inlichtingenformulier 1), het volgende vermeld: “Straatnamen mij onbekend Geen gegevens mij bekend Gaarne in gesprek uitleg geven. Ben niet in staat alle dagen mijn post op te halen daarom zo laat ingezonden Zie uw brief tegemoet voor een gesprek.” 1.4. Bij besluit van 8 oktober 2007 (hierna: opschortingsbesluit) heeft het College het recht op bijstand van appellant met ingang van 27 september 2007 opgeschort, op de grond dat appellant niet of niet volledig heeft voldaan aan het verzoek van 20 september 2007. Appellant is daarbij in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door de gevraagde gegevens uiterlijk op 23 oktober 2007 bij het College in te leveren. 1.5. Daarop heeft appellant tweemaal het onder 1.2 bedoelde inlichtingenformulier ingeleverd, gedagtekend 10 oktober 2007, respectievelijk 29 oktober 2007, en door het College ontvangen op 10 oktober 2007, respectievelijk 5 november 2007 (hierna: inlichtingenformulier 2 en 3). Op het inlichtingenformulier 2 heeft appellant in de kolom ‘Adres of verblijfplaats’ vermeld: “[ adres of verblijfplaats] en in de kolom ‘Datum van/tot’: “Variabel”. Op het inlichtingenformulier 3 heeft appellant in de kolom ‘Adres of verblijfplaats’ een aantal straten vermeld, te weten: [adres of verblijfplaats], een aantal andere plaatsen waar hij is geweest, te weten “Noorder Bergplaats” en “Kennemer Gasthuis 4x”, een aantal wijken, te weten Meerwijk, Molenwijk en “nabij Haarlem stadion”, en de Haarlemmerhout. In de kolom ‘Datum van/tot’ heeft appellant vermeld: “± 14-10 TM ± 28-10” en: “± 24.00-06.00 slaaptijd”. 1.6. Bij besluit van 7 november 2007 (hierna: intrekkingsbesluit) heeft het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 27 september 2007 ingetrokken. 1.7. Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het College het bezwaar tegen het opschortingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat appellant geen procesbelang meer heeft bij dat bezwaar, en het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard. Aan dit laatste heeft het College ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat op zowel 10 oktober 2007 als 5 november 2007 slechts beperkte en algemene verblijfsgegevens van appellant zijn ontvangen en dat onderzoek/verificatie van adressen niet goed mogelijk is, omdat appellant slechts melding maakt van een wijk- of straatnaam. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 26 juni 2008 gegrond verklaard voor zover het de opschorting betreft, dit besluit in zoverre vernietigd, het bezwaar tegen het opschortingsbesluit ongegrond verklaard en het beroep voor zover het de intrekking betreft ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarbij het bezwaar tegen het opschortingsbesluit ongegrond heeft verklaard en het beroep ongegrond heeft verklaard voor zover het de handhaving van de intrekking betreft. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De opschorting van het recht op bijstand met ingang van 27 september 2007. 4.1.1. Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten: a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft. 4.1.2. Tussen partijen is niet in geschil dat op appellant, die als adresloze gebruik maakt van een hem ter beschikking gesteld briefadres, de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de WWB rust en dat hij in het kader van die verplichting controleerbare gegevens over zijn feitelijke verblijfplaats dient te verstrekken. 4.1.3. De Raad stelt vast dat appellant op het inlichtingenformulier 1 in het geheel geen informatie heeft verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.