09/4541 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 juli 2009, 08/1951(hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 9 maart 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari
- Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant was werkzaam in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) bij [bedrijfsnaam] te [vestigingsplaats] in de functie van productiemedewerker voor 18 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op 11 december 2007 heeft hij zich ziek gemeld. Per 30 maart 2008 is het arbeidscontract beëindigd. Naar aanleiding van voormelde ziekmelding heeft appellant tweemaal het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts A.H.W.M. Lemlijn-Slenter, voor het laatst op 19 september
- Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 22 september 2008 geschikt kan worden geacht voor zijn laatst verrichte werk. Bij besluit van 19 september 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 22 september 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld. 1.
- Appellant heeft tegen het besluit van 19 september 2008 een bezwaarschrift ingediend. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij heeft het Uwv het bezwaar van appellant bij besluit van 22 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant – kort weergegeven – aangevoerd dat het Uwv volledig voorbijgaat aan de mogelijkheid dat hij een post whiplashsyndroom kan hebben opgelopen. Ter onderbouwing heeft appellant stukken overgelegd in het kader van de Wet werk en bijstand en de Wet maatschappelijke ondersteuning, waaruit blijkt dat appellant is vrijgesteld van arbeidsverplichtingen en hij hulp bij het huishouden krijgt in verband met psychische problematiek. Tevens zijn brieven overgelegd van de neuroloog C.L. Franke, waaruit blijkt dat appellant op 2 juni 2009 de polikliniek neurologie heeft bezocht en dat sprake is van spanningshoofdpijn bij status na whiplash en de arts assistent neurologie L. van der Linden die heeft gesteld dat sprake is van spierspanningshoofdpijn, mogelijk geluxeerd door overmatig alcoholgebruik en depressieve klachten. 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. 4.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de verzekeringsarts Lemlijn-Slenter appellant lichamelijk en psychisch heeft onderzocht. Hierbij heeft zij geen evidente aanwijzingen gevonden voor een psychiatrische ziekte en was appellant – uit het telefonisch contact van 31 juli 2008 is gebleken dat hij meerdere malen niet is verschenen op het spreekuur – niet onder behandeling bij de door hem genoemde psychiater Leurs. Bij het lichamelijk onderzoek werd een minimaal beperkte schouderfunctie geconstateerd. De verzekeringsarts heeft deze beperkingen afgezet tegen de belasting in het laatst verrichte werk, waarbij zij, gelet op het formulier “Probleemverkenning” van 17 april 2008, naar het oordeel van de Raad voldoende op de hoogte was van de aard en de zwaarte van dit werk. Het betrof fysiek licht productiewerk in de vorm van het assembleren van lichtspotjes, zittend aan een tafel, waarbij veelvuldig dezelfde handelingen werden verricht. De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat appellant, ondanks resterende klachten, voor dit werk geschikt kan worden geacht. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij dossierstudie verricht en appellant op de hoorzitting van 21 oktober 2008 onderzocht. Nu appellant geen nadere medische gegevens heeft overgelegd en hij bij eigen onderzoek geen depressieve grondstemming heeft kunnen constateren, heeft Van der Kooij daarop de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven. 4.
- Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt de Raad dat, gelet op de rapportages van 2 oktober 2009 en 14 januari 2011, de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat uit het neurologisch onderzoek niet is gebleken van medisch te objectiveren afwijkingen. Voorts werkte appellant slechts 18 uur in WSW-verband, wat bedoeld is voor personen met beperkingen en daarom per definitie licht werk betreft. Ook heeft appellant noch voor zijn psychische klachten noch voor zijn alcoholprobleem behandeling gezocht. Gezien de aard van de problematiek, het ontbreken van initiatieven tot het zoeken van behandeling en de lichtheid van het laatst verrichte werk, is appellant hiervoor dan ook geschikt te achten, aldus de bezwaarverzekeringsarts. De Raad acht de motivering van de bezwaarverzekeringsarts overtuigend en ziet geen aanleiding deze niet te volgen. Daarbij acht de Raad nog van belang dat alle in hoger beroep overgelegde (medische) stukken zien op een periode ver na de datum hier in geding.
- Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld per 22 september 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.A.H. Schifferstein, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart
- (get.) A.A.H. Schifferstein. (get.) N.S.A. El Hana. CVG