10/3438 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: H. Vree, wonende te Leusden (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 mei 2010, 09/0674 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 maart 2011 I. PROCESVERLOOP Mr. L. Goudkade, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, kantoor Amsterdam, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari
- Appellant is verschenen, bijgestaan door Goudkade. Voor het Uwv is verschenen mr. A.J.G. Lindeman. II. OVERWEGINGEN
- Bij besluit van 27 januari 2009 heeft het Uwv ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 24 september 2008 waarbij per 25 november 2008 de mate van arbeidsongeschiktheid waarnaar aan hem WAO-uitkering is toegekend (laatstelijk 80% of meer), is herzien naar 35-45%. 2.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit op bezwaar van 27 januari 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, met beslissingen over proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen. 2.
- Gelet op de beschikbare medische gegevens bestaat geen aanleiding om het oordeel van verzekeringsarts Kersten (rapport van 22 juli 2008) en bezwaarverzekeringsarts Hovy (rapport van 27, doch lees 20 januari 2009) in twijfel te trekken. Appellant heeft zijn standpunt dat hij medisch meer/ernstiger is beperkt op geen enkele wijze nader onderbouwd. Appellant heeft viermaal aangekondigd medische informatie te zullen overleggen in verband waarmee tot tweemaal toe op zijn verzoek de zitting (van 2 februari 2010 en 25 februari 2010) is uitgesteld. Het derde verzoek om uitstel (van de zitting van 1 april 2010) is afgewezen, mede omdat geen concrete datum is genoemd waarop het in het vooruitzicht gestelde medische rapport was te verwachten, terwijl appellant geen gehoor heeft gegeven aan het telefonische verzoek van de rechtbank (naar aanleiding van appellants brief van 31 maart 2010 dat hij noch zijn gemachtigde ter zitting zal verschijnen) om ter zitting nadere uitleg te komen geven over dat medische rapport. Vervolgens heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het onderzoek door Hovy ontoereikend te achten; het verzekeringsgeneeskundige onderzoek is voldoende inzichtelijk en toereikend. Uitgaande van de juistheid van de FML moet appellant in staat worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Toereikend is gemotiveerd dat in die functies appellants belastbaarheid niet wordt overschreden. Tot vernietiging van het besluit op bezwaar wegens (in zoverre) ontoereikende motivering is overgegaan, omdat het Uwv eerst in beroep een voldoende heldere en inzichtelijke arbeidskundige toelichting heeft gegeven. Er bestaat evenwel aanleiding om na vernietiging de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten. Aangezien bijgevolg de verlaging van de WAO-uitkering in stand blijft, bestaat geen reden voor schadevergoeding (wettelijke rente).
- In hoger beroep heeft appellant ingebracht een rapport van psychiater prof. dr. M.L. Stek van 21 maart 2010 - stellende dat hij dat niet eerder dan op 14 april 2010 heeft ontvangen - en op grond daarvan betoogd dat hij in psychisch opzicht op een tweetal punten meer is beperkt dan in de FML is vastgelegd met als gevolg dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies door hem niet kunnen worden vervuld. De reactie van Hovy op dat rapport heeft Stek aanleiding gegeven tot een toelichting bij brief van 18 november
- Daarin heeft Hovy op 30 november 2010 aanleiding gezien de FML aan te scherpen wat het omgaan met conflicten betreft (sterk - in plaats van licht - beperkt, kan meestal geen conflicten hanteren). Bezwaararbeidsdeskundige Den Hartog heeft vervolgens op 30 november 2010 aan de hand van de aldus aangescherpte FML onderzocht of appellant in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen en is gekomen tot de conclusie dat, aangezien bij geen van die functies in het resultaat functiebeoordeling een belasting wat conflicthantering betreft is aangegeven, de aanscherping geen gevolgen voor de functieduiding heeft. Tevens heeft appellant op 3 februari 2011 nog een verklaring van zijn huisarts van 12 januari 2011 ingebracht. 4.
- De Raad overweegt het volgende. 4.
- De, gelet op de in hoger beroep opgeworpen grieven, dit geschil beheersende vragen zijn of de aangescherpte FML correct is en, zo ja, of appellant medisch gezien op de datum in geding (25 november 2008) in staat was te achten tot vervulling van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. De Raad beantwoordt die vragen bevestigend. De bevindingen van Stek hebben Hovy op 30 november 2010 (alsnog) aanleiding gegeven de FML maximaal aan te scherpen wat het omgaan met conflicten betreft, maar dat heeft na arbeidskundig onderzoek niet geleid tot de conclusie dat appellant de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen, omdat in geen van die functies (bode/bezorger op een kantoor met sbc-code 315140, productiemedewerker industrie/samensteller van producten met sbc-code 111180 en wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur met sbc-code 267050) sprake is van enige vorm van conflicthantering. Aangezien in het resultaat functiebeoordeling bij geen van deze functies het aspect hanteren van conflicten is voorzien van een signalering ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid, behoefde dit aspect ook geen aparte bespreking door de (bezwaar)arbeidsdeskundige of overleg door deze met de (bezwaar)verzekeringsarts. Voor de conclusie dat de bevindingen van Stek Hovy aanleiding hadden moeten geven om meer en/of ernstiger beperkingen op andere onderdelen van de FML vast te stellen, zijn in de gedingstukken geen aanknopingspunten in de vorm van bij voorbeeld door de (bezwaar)verzekeringsarts niet weerlegde medische verklaringen te vinden. De door appellant in hoger beroep ingebrachte verklaring van zijn huisarts van 12 januari 2011 heeft betrekking op de situatie waarin appellant op dàt moment verkeerde (grote spanningen als gevolg van de herkeuringsprocedure) en ziet dus niet op de datum in geding, te weten 25 november 2008, zodat die hier geen gewicht in de schaal kan leggen. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens met betrekking tot zijn lichamelijke gesteldheid op 25 november 2008 ingebracht, zodat niet de conclusie kan worden getrokken dat de (aangescherpte) FML wat die gesteldheid betreft niet correct is. Dat, indien wordt uitgegaan van de juistheid van de aangescherpte FML, appellant medisch gezien op 25 november 2008 niet in staat was te achten de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen, is door appellant gesteld noch de Raad gebleken.
- Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet. Bijgevolg dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen. Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart
- (get.) G.J.H. Doornewaard. (get.) M.A. van Amerongen. JL