← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7458

10/4411 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2010, 09/3804 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 maart 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari

  1. Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen A. Anandbahadoer. II. OVERWEGINGEN
  2. Bij besluit van 15 juli 2008 heeft het Uwv met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geweigerd terug te komen van zijn besluit van 20 april 2004, inhoudende een weigering om terug te komen van een besluit van eerdere datum waarbij is geweigerd aan hem een AAW/WAO-uitkering toe te kennen.
  3. Bij rappelbrief van 18 februari 2009, bij het Uwv ontvangen op 3 maart 2008, heeft appellant gesteld dat hij bij brief van 8 augustus 2008 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 15 juli
  4. Bij besluit van 10 juli 2009 heeft het Uwv appellant in zijn bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift. Daarbij heeft het Uwv in aanmerking genomen dat het (originele) bezwaarschrift van 8 augustus 2008 nimmer is ontvangen, dat appellant niet heeft aangetoond dat het originele bezwaarschrift toen ook daadwerkelijk aan het Uwv is gezonden en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij niet in de gelegenheid was om tijdig een bezwaarschrift in te dienen.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit op bezwaar van 10 juli 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen. Er is evident sprake van ongeloofwaardige ontkenning door appellant van de ontvangst van het besluit van 15 juli
  6. Daar genoegzaam aannemelijk is dat dat besluit op de voorgeschreven wijze is verzonden, liep de bezwaartermijn van 16 juli 2008 tot en met 26 augustus
  7. Appellant heeft niet kunnen aantonen dat hij het bezwaarschrift van 8 augustus 2008 tijdig aan het Uwv heeft verzonden. Naar vaste rechtspraak van de Raad komt voor appellants risico en rekening het door het Uwv niet (zijn) ontvangen van niet aangetekend of met bewijs van ontvangst verzonden post. Het Uwv heeft appellants brief van 18 februari 2009 opgevat als bezwaarschrift dat evenwel niet binnen de wettelijke bezwaartermijn is ingediend. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd om die termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
  8. In hoger beroep heeft appellant - wat de kwestie van de ontvankelijkheid in bezwaar betreft - in essentie geen andere argumenten aangevoerd dan eerder in bezwaar en beroep.
  9. De Raad overweegt het volgende. Dit geschil wordt volledig beheerst door de vraag of terecht en op goede gronden is geoordeeld dat appellant onverschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het Uwv-besluit van 15 juli
  10. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de door haar gebezigde overwegingen daartoe, zoals neergelegd in de aangevallen uitspraak. Daaraan heeft de Raad niets toe te voegen of af te doen. Dat betekent dat niet kan worden ingegaan op appellants standpunt dat het Uwv ten onrechte heeft geweigerd terug te komen van zijn in rechte onaantastbaar geworden besluit van 20 april 2004 om reden dat er geen sprake is van een of meer nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.
  11. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart
  13. (get.) G.J.H. Doornewaard. (get.) M.A. van Amerongen. JL

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.