← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7613

10/2755 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 april 2010, 09/5071 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 maart 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Janszen. Voor het Uwv is verschenen mr. M. Sluijs. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Voor een uitgebreid overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. 1.
  3. De Raad beperkt zich tot het volgende. 1.
  4. Bij besluit van 29 april 2009 is de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%, met ingang van 30 juni 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. 1.
  5. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 september 2009 ongegrond verklaard.
  6. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 1 september 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover voor het hoger beroep van belang – het volgende overwogen. Het medisch onderzoek is niet onzorgvuldig geweest en het oordeel van de verzekeringsartsen is niet onjuist. Het Uwv kan niet worden tegengeworpen dat de gevolgen van een auto-ongeluk waarbij appellante op 11 juni 2009 betrokken is geweest, buiten beschouwing zijn gelaten bij de medische beoordeling, nu appellante het Uwv niet op enig moment tijdens de bezwaarprocedure hiervan op de hoogte heeft gesteld. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat als gevolg van dit ongeval zij meer beperkingen heeft dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat tijdens de hoorzitting de psychische klachten en pijnklachten zijn besproken. De conclusies van bezwaarverzekeringsarts berusten op kennisname van de beschikbare informatie, zijn zorgvuldig voorbereid en zijn eveneens naar behoren gemotiveerd. Dat appellante meer beperkingen heeft, is bij gebreke van nadere medische onderbouwing door haar niet aannemelijk gemaakt. De bezwaararbeidsdeskundige heeft zich terecht gesteld op het standpunt dat van appellante, gelet op de door haar in Nederland gevolgde opleidingen verwacht mag worden dat zij de Nederlandse taal voldoende beheerst in woord en geschrift dan wel, gelet op haar opleidingsniveau, in staat moet worden geacht zich deze vaardigheden binnen zes maanden voldoende eigen te maken en dat dit niet in de weg staat aan de uitoefening van de voor haar geselecteerde functies. Evenmin staan appellantes beperkingen ten aanzien van het werk zonder veelvuldige deadlines en productiepieken aan de vervulling van de geselecteerde functies in de weg, aangezien bij het werken aan de lopende band hoogstens eisen worden gesteld aan het handelingstempo. Hiervoor is appellante evenwel niet beperkt geacht.
  7. In het hoger beroepschrift is namens appellante gesteld dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Daarbij is aangegeven dat sinds 2002 haar fysieke en psychische toestand door onder meer bedrijfs- en verkeersongevallen, is verslechterd. De bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts zijn niet in overeenstemming met die van de behandelend specialisten. Tot slot zijn de geselecteerde functies niet in overeenstemming met haar opleiding en vaardigheden. Ter zitting zijn namens appellante de bezwaren aangevuld en toegelicht. 4.
  8. De Raad overweegt als volgt. 4.
  9. De Raad kan zich vinden in de aangevallen uitspraak – met inbegrip van de overwegingen van de rechtbank – en heeft daarbij nog het volgende in aanmerking genomen. De grond dat de bezwaarverzekeringsarts navraag had behoren te doen bij de behandelend sector waardoor deze arts op de hoogte zou zijn gekomen van het auto-ongeval waarbij appellante op 11 juni 2009 is geweest en hij daardoor de gevolgen van dit ongeval had kunnen meenemen bij de heroverweging van de medische grondslag van het besluit, slaagt niet. Uit de gedingstukken is niet af te leiden dat door of namens appellante in de bezwaarprocedure op enigerlei wijze kenbaar is gemaakt dat haar 11 juni 2009 een ongeval is overkomen. Hieromtrent zijn ook geen medische stukken ingebracht. Niet is in te zien dat de bezwaarverzekeringsarts zonder enige kennis van een ongeval bij de behandelend sector had moeten informeren waardoor hij hiervan op de hoogte zou zijn geraakt. Het had op de weg van appellante gelegen om dit ongeval in de bezwaarfase naar voren te brengen. Overigens zijn in beroep noch in hoger beroep namens appellante nadere medische gegevens omtrent dit ongeval in het geding gebracht. Ook ten aanzien van haar andere lichamelijke en psychische klachten is appellante niet met andere nadere medische gegevens gekomen, zodat appellante niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat zij in medisch opzicht meer is beperkt dan in de (aangescherpte) Functionele Mogelijkheden Lijst van 27 augustus 2009 aangegeven. Niet is dan ook staande te houden dat het besluit op bezwaar van 1 september 2009 niet berust op een zorgvuldige en deugdelijke medische grondslag. 4.
  10. Met haar beperkingen moet appellante medisch gezien in staat worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Het standpunt dat de functie met sbc-code 267050 (wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur) voor haar niet geschikt is, omdat zij vanwege haar Duitse komaf en haar opleiding en vaardigheden niet beschikt over de Nederlandse schrijfvaardigheid die voor de uitoefening van die functie nodig is, slaagt evenmin. Wat er ook zij van dat standpunt, het betoog van appellante kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit reeds omdat, als die functie afvalt, de schatting mede wordt gedragen door de reservefunctie met sbc-code 315130 (archiefmedewerker, medewerker bibliotheek) tot vervulling waarvan appellante evenzeer in staat is te achten. Hoewel de mediaan dan wijzigt en er een andere reductiefactor gehanteerd moet worden, leidt dit (met 17,5% in plaats van 15,4%) niet tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse dan 15-25%. Gezien haar opleiding in Duitsland, de door haar gevolgde opleidingen en haar werkervaring in Nederland, moet appellante in staat worden geacht de voor haar geselecteerde functies te vervullen, immers geen van de functies heeft een hoger functie- of opleidingsniveau dan
  11. Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart
  13. (get.) G.J.H. Doornewaard. (get.) M.A. van Amerongen. GdJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.