09/5164 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 juli 2009, 08/5055 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en [naam Stichting] (hierna: stichting) Datum uitspraak: 10 maart 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De stichting heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B.W.M. Zegers, advocaat te Edam. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.P.J. Hendrikx, advocaat te Mijdrecht. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant was sinds 1999 als systeembeheerder werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) de stichting. Op 10 december 2007 heeft appellant aan de directeur meegedeeld dat hij zich heeft gemeld bij de politie in verband met een aangifte wegens het plegen van ontuchtige handelingen met twee destijds minderjarige pleegkinderen. Bij brief van 20 december 2007 heeft de stichting aan appellant meegedeeld voornemens te zijn hem per 1 februari 2008 ontslag te verlenen op grond van artikel 4.7. sub k, van de CAO Primair Onderwijs. 1.2. Bij besluit van 25 januari 2008 heeft de stichting appellant met toepassing van artikel 4.7. sub k, van de CAO Primair Onderwijs ontslag verleend op grond van redenen van gewichtige aard. 2. Het tegen het besluit van 25 januari 2008 gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. 3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - samengevat - overwogen dat het bestreden besluit slechts betrekking heeft op het ontslag en dat nog niet is beslist over de financiële aanspraken in aansluiting op dat ontslag. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de stichting bevoegd was appellant wegens gewichtige redenen ontslag te verlenen. 4. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt. 4.1. Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het ontslagbesluit slechts betrekking had op het ontslag en een financiële aanspraak op het ontslag geen onderdeel hoefde uit te maken van dat besluit. Appellant heeft dit onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad bestreden en verzocht het daarheen te leiden dat hij alsnog aanspraak verkrijgt op een uitkering. 4.2. Gelet op zijn vaste rechtspraak (CRvB 2 maart 2006, LJN AV3953 en TAR 2006, 72) is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het beginsel van een behoorlijke belangenafweging met zich brengt dat een ontslagverlening zoals hier aan de orde in het algemeen gepaard dient te gaan met toekenning van een aanspraak (garantie) op een ontslaguitkering die ten minste gelijk is aan het voor appellant geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet (hierna: WW) en de regeling inzake bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat dit uitgangspunt hier niet zou gelden. Het gegeven dat de rechtspositieregeling een dergelijke verplichting niet aan de stichting oplegt, maakt dat niet anders. Op grond van eveneens vaste rechtspraak van de Raad ligt het op de weg van het ontslagverlenende bestuursorgaan om, indien de (systematiek van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.