10/2730 WAJONG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 april 2010, 09/4239 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 maart 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari
- Appellant was aanwezig, bijgestaan door mr. A.B.M. Adriaanse, werkzaam ten kantore van mr. Visser. Tevens was aanwezig een broer van appellant, [broer] Voor het Uwv was aanwezig drs. M.P.W.M. Wiertz. II. OVERWEGINGEN
- Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari
- 2.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit van 21 augustus 2009, bij welk besluit het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 27 maart 2009, waarbij aan appellant met ingang van 5 februari 2008 een Wajong-uitkering is toegekend. Volgens het Uwv is geen sprake van een bijzonder geval in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Wajong op grond waarvan toekenning met meer dan één jaar terugwerkende kracht mogelijk is. 2.
- De rechtbank heeft bij haar uitspraak overwogen dat zij op grond van de door appellant gestelde omstandigheden niet anders kan concluderen dan dat er geen sprake is van een bijzonder geval. De rechtbank heeft allereerst overwogen dat onbekendheid met de regelgeving, zoals als reden voor de te late Wajong-aanvraag was aangegeven, nimmer een reden kan zijn tot het aannemen van een bijzonder geval. Voorts is de rechtbank ingegaan op de beroepsgrond dat appellant vanwege zijn psychische beperkingen niet in staat is geweest eerder, op zijn 18e jaar, een aanvraag in te dienen. Gelet op de door appellant overgelegde informatie van de GGZ en het Instituut Maatschappelijk Welzijn en gelet op de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op juiste gronden aangenomen dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat appellant niet eerder in staat was een aanvraag in te dienen.
- In hoger beroep heeft appellant herhaald dat medische redenen eraan in de weg hebben gestaan om eerder een Wajong-aanvraag in te dienen, dat hij dan ook redelijkerwijs niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest, en dat dit een bijzondere omstandigheid oplevert als bedoeld in artikel, 29 tweede lid, van de Wajong. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de bij de rechtbank overgelegde stukken, bestaande uit bevindingen van een psychiatrisch onderzoek op 21 oktober 2009 alsmede een brief van 4 november 2009 van de behandelend psychiater, R.A.R.A. Hoven. Hierin wordt beschreven dat bij appellant sprake is van amper aanwezige contactgroei, verminderde concentratie en vergeetachtigheid, en dat hij qua persoonlijkheid een erg onrijpe en weinig gedifferentieerde indruk maakt en een onvolwassen narcistische coping heeft. Tot slot is aangegeven dat nadere psychiatrische gegevens zullen worden ingezonden ter verdere onderbouwing van zijn stelling dat hij rond zijn 18e verjaardag om psychische redenen niet in staat is geweest een aanvraag in te dienen. 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- De Raad is het met de rechtbank eens. Ingevolge de Wajong kan een uitkering eerder ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag is gedaan, indien sprake is van een bijzonder geval. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is sprake van een bijzonder geval indien de betrokkene terzake van de late aanvraag redelijkerwijs geacht kan worden niet in verzuim te zijn geweest. Zo’n situatie kan aan de orde zijn indien de betrokkene buiten staat was eerder een aanvraag in te dienen. Onbekendheid met het bestaan van de Wajong levert, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen bijzonder geval op. 4.
- Het standpunt van appellant dat hij buiten staat was om eerder een Wajong-aanvraag in te dienen, slaagt niet. In hetgeen appellant in dat verband naar voren heeft gebracht, heeft de Raad, evenmin als rechtbank, aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat hij wegens medische redenen buiten staat was om eerder een aanvraag in te dienen. Wat appellant ter zitting van de Raad naar voren heeft gebracht in een poging aan te tonen dat hij, anders dan hij bij zijn aanvraag heeft opgegeven, wél op de hoogte was van het bestaan van de Wajong, maar desondanks niet in staat was eerder aan te vragen, mist overtuigingskracht. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank heeft overwogen volledig. Appellant heeft in hoger beroep niet zoals aangekondigd nadere psychiatrische gegevens ingezonden. 4.
- Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak bevestigen.
- Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart
- (get.) G.J.H. Doornewaard. (get.) M.A. van Amerongen. NW