← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8171

10/5555 MAW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 augustus 2010, 09/5042 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (hierna: minister) Datum uitspraak: 17 maart 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. II. OVERWEGINGEN

  1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.
  2. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak, alsmede naar zijn uitspraken tussen partijen van 15 januari 2009, 07/6618 MAW, LJN BH1659 en van 27 januari 2011, 08/6277 MAW, LJN BP
  3. Hij volstaat hier met het volgende. 2.
  4. Appellant, sergeant der eerste klasse, was ten tijde in geding werkzaam bij [naam bataljon] te [naam gemeente]. In oktober 2006 heeft de minister met toepassing van artikel 18 van het Inkomstenbesluit Militairen (IBM) een bedrag van € 839,42 ingehouden op het salaris van appellant, omdat appellant zich over de periode van 14 tot en met 25 september 2006 heeft onttrokken aan zijn dienstverplichtingen. Deze Raad heeft in zijn hiervoor onder 2 genoemde uitspraak van 15 januari 2009 geoordeeld dat niet vaststond of appellant zich aan zijn dienstverplichting had onttrokken of dat er daadwerkelijk sprake was van ziekte, nu de melding van appellant dat hij op 14 september 2006 niet in staat was zijn werk gedeeltelijk te hervatten ten onrechte niet medisch is beoordeeld. De minister werd opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad. 2.
  5. Bij besluit van 12 juni 2009 heeft de minister het bezwaar van appellant tegen de inhouding van zijn salaris opnieuw ongegrond verklaard. 2.
  6. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank was daarbij van oordeel dat het bestreden besluit niet lijdt aan een bevoegdheidsgebrek en dat de minister op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant van 14 tot en met 25 september 2006 gedeeltelijk arbeidsgeschikt was en dat hij, door na te laten in die periode arbeid te verrichten, ongeoorloofd afwezig is geweest. Daarom heeft de minister op goede gronden overeenkomstig artikel 18 van het IBM het salaris van appellant over de periode van 14 tot en met 25 september 2006 ingehouden, aldus de rechtbank.
  7. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 3.
  8. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat sprake is van een onbevoegd genomen besluit. Hij onderschrijft de in de aangevallen uitspraak onder 5.1 opgenomen overweging van de rechtbank. Het besluit is genomen door een persoon die daartoe namens de minister bevoegd was. 3.
  9. Evenmin onderschrijft de Raad het standpunt van appellant dat de minister geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de hiervoor onder 2 genoemde uitspraak van 15 januari
  10. Het stond de minister vrij om het in die uitspraak geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek te repareren. 3.
  11. De bedrijfsarts heeft desgevraagd op 31 maart 2009 te kennen gegeven in de ziekmelding van appellant geen reden te zien zijn oordeel dat appellant met ingang van 14 september 2006 voor 50% arbeidsgeschikt was, te wijzigen. Van de zijde van appellant zijn geen objectieve medische gegevens ingebracht, die nopen tot een ander oordeel ten aanzien van appellants mate van arbeids(on)geschiktheid. Ook anderszins ziet de Raad geen grond de bedrijfsarts niet te volgen. De Raad wijst erop dat hij in zijn onder 2 genoemde uitspraak van 27 januari 2011 ook heeft vastgesteld dat appellant van 14 tot en met 25 september 2006 ongeoorloofd afwezig is geweest, nu hij door de bedrijfsarts in staat was geacht op die dagen voor 50% te werken. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant zich over de hier in geding zijnde periode aan zijn dienstverplichtingen heeft onttrokken. 3.
  12. Ingevolge artikel 18 van het IBM heeft de militair voor elke volledige dag dat hij zich aan zijn dienstverplichtingen onttrekt, geen aanspraak op inkomsten. Met toepassing van dit artikel heeft de minister de bezoldiging van appellant over de periode 14 tot en met 25 september 2006 volledig ingehouden. De omstandigheid dat appellant die periode slechts voor 50% arbeidsgeschikt was en dus ook maar voor 50% aan zijn dienstverplich-tingen behoefde te voldoen, gaf de minister geen reden de inhouding tot dat percentage te beperken. 3.
  13. Aan de minister kan worden toegegeven dat de letterlijke tekst van dat artikel niet dwingt tot een dergelijke beperking, nu gezegd kan worden dat appellant zich in de hier in geding zijnde periode elke (volledige) dag heeft onttrokken aan de verplichting om zijn dienst te verrichten, ook al omvatte die voor hem slechts 50% van een normale dienst. Anderzijds is buiten twijfel dat appellant slechts voor 50% aan zijn dienstverplichtingen had kunnen voldoen, indien hij zich wel op het werk had gemeld. Dit brengt de Raad tot het oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 18 van het IBM met zich mee brengt dat in een situatie zoals hier aan de orde slechts geen aanspraak bestaat op het gedeelte van de bezoldiging dat overeenkomt met de mate waarin de militair voor het verrichten van zijn dienst geschikt is geacht. 3.
  14. Met betrekking tot het aantal dagen, waarover de inhouding heeft plaatsgevonden, volgt de Raad de minister. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het IBM wordt bij de berekening van inkomsten over een gedeelte van een maand het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door dertig. De periode 14 tot en met 25 september omvat 12 dagen, zodat de minister terecht de factor 12/30 heeft gehanteerd.
  15. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt voor zover het betreft de hoogte van de inhouding en dat het bestreden besluit in zoverre geen stand houdt. De aangevallen uitspraak kan evenmin in stand blijven. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien en bepalen dat over de periode van 14 tot en met 25 september 2006 de inkomsten voor 50% worden ingehouden.
  16. De Raad vindt voorts aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,- in bezwaar, € 644,- in beroep en € 437,- in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij de inkomsten van appellant over de periode van 14 september tot en met 25 september 2006 volledig zijn ingehouden; Stelt de omvang van de inhouding van inkomsten over voornoemde periode vast op 50% en bepaalt dat deze uitspraak van de Raad in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit; Veroordeelt de minister in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van totaal € 1.725,-, te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart
  17. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) I. Mos. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.