09/3299 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2009, 08/1961 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 22 maart 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.V. Brunings, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere informatie verstrekt. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari
- Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant heeft van 2 december 1999 tot en met 27 maart 2003 en van 14 januari 2004 tot en met 31 januari 2007 bijstand ontvangen, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. 1.
- Naar aanleiding van - onder meer - een telefonische anonieme melding dat appellant op het adres [adres 1] te [naam gemeente] een gezamenlijke huishouding zou voeren met J.A. [B.] (hierna: [B.]), de moeder van zijn zoontje, heeft de Afdeling Controle & Opsporing van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is bij diverse instanties informatie opgevraagd, hebben waarnemingen plaatsgevonden, zijn getuigen gehoord en zijn appellant en [B.] door sociaal rechercheurs verhoord. Appellant heeft aan het einde van zijn eerste verhoor onder meer verklaard: “U houdt mij de verklaring van [J.] [B.] voor, waarbij zij heeft verklaard dat wij vanaf april 2000 tot en met oktober 2000 op [adres 2] te [naam gemeente] en later vanaf oktober 2000 tot heden op [adres 1] te [naam gemeente] een gezamenlijke huishouding voeren. Ik zeg u dat alles wat [J.] heeft verklaard is goed. (…) Ja, ik heb samen met [J.] op de [adres 2] te [naam gemeente] van de periode april 2000 tot oktober 2000 gewoond. Later zijn we samen van oktober 2000 naar [adres 1] samen verhuisd. We woonden samen vanaf oktober 2000 tot heden op [adres 1] te [naam gemeente].” De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport en een proces-verbaal van 12 juni
- 1.
- De onderzoeksbevindingen van de DWI zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 8 oktober 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 april 2008: - de bijstand van appellant over de periodes van 25 april 2000 tot en met 27 maart 2003 en van 14 januari 2004 tot en met 31 januari 2007 in te trekken en - de over die periodes gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellant in de hiervoor genoemde periodes, zonder daarvan aan het College melding te maken, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [B.].
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 8 april 2008 ongegrond verklaard.
- Appellant heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak de volgende twee gronden aangevoerd: 1) Appellant heeft zijn verklaringen tegenover de DWI onder druk afgelegd en is daarom in beroep van die verklaring teruggekomen. De verhorende ambtenaren hebben appellant voorgehouden dat [B.] niet eerder naar huis mocht gaan zolang hij niet zou hebben verklaard een gezamenlijke huishouding met haar te hebben gevoerd. Appellant is uiteindelijk onder deze druk gezwicht, omdat zijn - op dat moment - zevenjarige zoon alleen thuis was. 2) Tijdens de verhoren heeft één van de sociaal rechercheurs toegezegd dat uitsluitend de te veel c.q. ten onrechte verleende bijstand over de periode van 14 januari 2004 tot en met 31 januari 2007 tot een bedrag van ongeveer € 30.000,-- zou worden teruggevorderd. Appellant mocht erop vertrouwen dat de terugvordering tot dat bedrag zou worden beperkt.
- De Raad komt, zich beperkend tot de in hoger beroep aangevoerde gronden, tot de volgende beoordeling. 4.
- De Raad is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verklaring over het voeren van een gezamenlijke huishouding met [B.] onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellant het proces-verbaal van verhoor waarin zijn verklaring is opgenomen, zonder enig voorbehoud op iedere pagina heeft ondertekend, hij niet al bij het tweede verhoor, zes dagen later, van zijn tijdens het eerste verhoor afgelegde verklaring is teruggekomen en hij geen klacht heeft ingediend over de bejegening die hem ten deel zou zijn gevallen. Hierenboven vindt de door appellant tegenover de DWI afgelegde verklaring steun in de verklaring van [B.] en in de door de getuigen afgelegde verklaringen. 4.
- De processen-verbaal van de verhoren van appellant bieden geen enkel aanknopingspunt voor het standpunt van appellant dat hem tijdens de verhoren is toegezegd dat de terugvordering beperkt zou blijven tot de kosten van bijstand over de periode van 14 januari 2004 tot en met 31 januari
- 4.
- Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J.R.K.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart
- (get.) N.J. van Vulpen-Grootjans. (get.) J.R.K.A.M. Waasdorp. Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding. IJ