← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8918

10/3142 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant) tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 23 april 2010, 09/435 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 maart 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, advocaat te Voorberg, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Daarbij zijn enige nadere stukken overgelegd. Het Uwv heeft van verweer gediend. Daarbij is een rapportage ingestuurd van de bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari

  1. Voor appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. Juchter van Bergen Quast. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant, geboren [in] 1954, is in 1988 uitgevallen uit zijn werkzaamheden als snoep-inpakker. Per einde wachttijd is aan hem een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. In de jaren daarna is appellant meerdere malen geopereerd aan pols en elleboog (links) en elleboog (rechts). De volledige uitkering is daarbij telkens gehandhaafd. 1.
  3. In 2008 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. Appellant is op 22 mei 2008 gezien door de verzekeringsarts N. Klein. Deze heeft op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en de anamnese geconcludeerd dat appellant door ziekte of gebrek beperkt is in zijn mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Daarbij gaat het onder meer om beide polsen en de rechterknie. Bij een oriënterend psychisch onderzoek constateert de verzekeringsarts preoccupatie met pijn en beperkingen. Geen manifeste psychopathologie. Bewustzijn, waarnemen en geheugen normaal; aandacht, concentratie en handelen, en willen, voldoende. Stemming gelijkmatig, gedrag rustig. Geen tekenen van angst, verwardheid, ontremming of agitatie. Door de verzekeringsarts is een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. De psychische belastbaarheid is niet beperkt geacht. Beperkingen zijn opgenomen in de rubrieken sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. De arbeidsdeskundige M.J. van Zijl heeft vervolgens voor appellant passende functies geselecteerd. Geconcludeerd wordt tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 44.
  4. Bij besluit van 23 september 2008 is appellant met ingang van 24 november 2008 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. 2.
  5. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend. Onder meer tijdens de hoorzitting van 11 december 2008 is door appellant naar voren gebracht dat hij erg ontevreden is over de bejegening door de primaire verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. Bij de verzekeringsarts is hij tien minuten binnen geweest. Er is niet gesproken over appellants psychische klachten. Volgens appellant heeft hij sedert 2000 het nodige voor de kiezen gekregen. De verzekeringsarts is er van uitgegaan dat er medisch niets was veranderd. Volgens appellant is echter zijn knie verslechterd. Door appellant is verder opgemerkt dat hij niet kan autorijden door de trillingen. Deze doen pijn aan de hand. Functies waarbij moet worden autogereden dienen dan ook te vervallen. 2.
  6. Op 23 februari 2009 rapporteert de bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan, die mede aanwezig is geweest bij de hoorzitting. Daarbij is door Kleinjan onder meer gekeken naar de handbewegingen van appellant. De knie is volgens Kleinjan door de primaire verzekeringsarts correct beoordeeld. De psyche is, wat er ook zij van het onderzoek in primo, in elk geval tijdens de hoorzitting aan de orde gekomen. Psychische beperkingen zijn, op grond van de thans aanwezige gegevens, niet geobjectiveerd. Appellant heeft noch specifieke klachten noch gebruikt hij medicatie of is hij onder behandeling voor psychische problematiek. Ten aanzien van het autorijden wordt opgemerkt dat met de resterende functionaliteit van de rechterhand voldoende ondersteuning kan worden geboden aan de normaal functionerende linkerhand. Nu appellant ook fietst is een beperking ten aanzien van autorijden niet consistent. Daarnaast is zo’n beperking niet medisch geobjectiveerd. 2.
  7. De bezwaararbeidsdeskundige M. Kokenberg-van Loon rapporteert eveneens op 23 februari
  8. Kokenberg-van Loon adviseert tot handhaving van de indeling van appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. 2.
  9. Bij besluit van 25 februari 2009 is het bezwaar ongegrond verklaard. 3.
  10. In beroep wordt herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met de psychische klachten van appellant. Door appellant is een rapportage gedateerd 25 april 2009 in het geding gebracht uitgebracht door drs. C.M.M.G. Zwaans, eerstelijnspsycholoog en psychotherapeut, en drs. J.M.M.A. Ververs, eerstelijnspsycholoog. Blijkens deze rapportage lijdt appellant vermoedelijk aan een atypische depressieve episode en een sociale fobie. Aanbevolen wordt om appellant te begeleiden in het traject van werkhervatting. 3.
  11. De bezwaarverzekeringsarts Kleinjan merkt in een rapportage van 11 juni 2009 naar aanleiding van het rapport van Swaans en Ververs op, dat onvoldoende is geobjectiveerd dat op de datum in geding sprake is van, uit psychopathologie voortvloeiende, beperkingen. Bij het onderzoek is enkel gebruik gemaakt van vragenlijsten, er heeft geen diagnostiek volgens DSM-IV classificatie plaatsgevonden. Daarenboven is er slechts sprake van een vermoeden aan een atypische depressieve episode en een sociale fobie. Geconcludeerd wordt dat er geen gronden zijn aangevoerd die aanleiding geven op het eerder ingenomen standpunt terug te komen. 3.
  12. Ter zitting is door de gemachtigde als grond naar voren gebracht dat het bestreden besluit ten aanzien van de naar voren gebrachte psychische klachten onvoldoende is gemotiveerd. Door appellant is opgemerkt dat hij na de hoorzitting in behandeling is gegaan bij de psycholoog Ververs. 3.
  13. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat de uitkomsten van het medisch onderzoek in twijfel te trekken, nu niet is gebleken dat de rapportages op onzorgvuldige wijze zijn tot totstandgekomen, niet concludent zijn, dan wel inhoudelijk onjuist zijn. De rechtbank heeft dit oordeel als volgt onderbouwd (waarbij voor eiser moet worden gelezen appellant en voor verweerder het Uwv): “Hierbij wordt in aanmerking genomen dat naar aanleiding van hetgeen eiser tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht over zijn psychische gesteldheid, voldoende is gemotiveerd waarom hieraan niet de conclusie wordt verbonden dat eiser vanwege een psychische klacht beperkt is. De medische gegevens die eiser in beroep heeft overgelegd (te weten de brief van 25 april 2009 van de behandelend psycholoog Ververs) ondersteunen zijn stelling, dat hij ten tijde van de datum in geding was beperkt door psychische klachten, niet. Eiser heeft ter zitting meegedeeld dat hij eerst na de hoorzitting, na verwijzing door zijn huisarts, onder behandeling is gegaan bij de psycholoog. Uit voornoemde brief van de psycholoog kan niet worden afgeleid dat eiser aan psychische klachten leed ten tijde van de datum in geding. Met de polsklachten van eiser heeft de bezwaarverzekeringsarts rekening gehouden. Dat de klachten een grotere beperking met zich mee zouden brengen, heeft eiser niet met medische stukken onderbouwd, waardoor een grotere beperking dan door de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld, niet aannemelijk is gemaakt.”. 3.
  14. Uitgaande van de opgestelde FML is na heroverweging de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 43%. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de arbeidskundige rapportages op onzorgvuldig wijze tot stand zijn gekomen. In hetgeen namens appellant in beroep is aangevoerd is geen grond te vinden om te twijfelen aan de medische passendheid van de geselecteerde functies. De grond van appellant dat zijn psychische klachten ten onrechte niet aan bod zijn gekomen bij het primaire onderzoek. Het beroep wordt ongegrond verklaard. 4.
  15. In hoger beroep is namens appellant als enige grond naar voren gebracht dat het primaire besluit steunt op een niet zorgvuldig onderzoek ten aanzien van de psychische klachten van appellant. Pas ten tijde van de hoorzitting heeft de bezwaarverzekeringsarts notie genomen van de psychische klachten van appellant. Dat deze aanpak onzorgvuldig is geweest blijkt uit de rapportage van Swaans en Ververs. Geconcludeerd wordt dat het Uwv het bestreden besluit op deze medische grondslag niet had mogen baseren. 4.
  16. In een reactie op de beroepsgronden heeft de bezwaarverzekeringsarts Kleinjan in een rapportage van 15 juli 2010 opgemerkt dat naar haar oordeel de beoordeling van de psychische belastbaarheid van appellant op de datum in geding zorgvuldig is geweest. Appellant heeft ook bij de uitgebreide hoorzitting geen specifieke klachten aangevoerd; door de behandelende sector is geen stoornis gediagnosticeerd of ook maar een onderzoek hiernaar ingesteld; bij oriënterend psychisch onderzoek door de primaire verzekeringsarts zijn geen afwijkende bevindingen vastgesteld. Gezien dit alles was er in de bezwaarfase geen aanleiding om verder onderzoek in te stellen naar de psychische toestand van appellant. 4.
  17. De Raad komt tot de volgende overweging. 4.
  18. Tussen partijen is in geschil of het bestreden besluit steunt op een zorgvuldig medisch onderzoek, waarbij het met name gaat om de vraag of aan de psychische klachten van appellant in primo, en later in bezwaar, voldoende recht is gedaan. 4.
  19. De Raad stelt voorop dat de primaire verzekeringsarts een oriënterend psychisch onderzoek heeft verricht. Zijn voor de opstelling van de FML relevante bevindingen heeft hij neergelegd in zijn rapportage. De Raad kan niet inzien op grond van welke gegevens of bevindingen van de verzekeringsarts een verdergaand onderzoek, of inschakeling van een deskundige, had kunnen worden geëist. Het dossier, dat teruggaat tot 1983 bevat daartoe geen aanwijzingen. Appellant zelf heeft de gestelde psychische problematiek bij de primaire verzekeringsarts niet aangekaart. De Raad kan appellant dan ook niet volgen in zijn stelling dat het onderzoek naar de psychische klachten van appellant door de primaire verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest. De latere bevindingen van de psychologen Swaans en Ververs maakt dit niet anders. De Raad kan zich in dat opzicht geheel verenigen met de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank en de opmerkingen ter zake van de bezwaarverzekeringsarts Kleinjan. De Raad voegt hieraan toe dat desgevraagd ter zitting de gemachtigde van appellant niets kon verklaren met betrekking tot de psychische gesteldheid van appellant, eventuele medicatie en/of behandeling, in het verlengde van de rapportage van Swaans en Ververs. 4.
  20. De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld. 4.
  21. Voor een proceskostenveroordeling van één van de partijen ziet de Raad geen grond. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 11 maart
  22. (get.) H.J. Simon. (get.) D.E.P.M. Bary. GdJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.