← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0396

09/4333 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 juni 2009, 08/2300 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 6 april 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I.A.C.M. Bodeller-van Breugel, werkzaam bij ihb advies & rechtshulp te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 24 september 2010 heeft het Uwv aan de Raad een op 24 september 2010 gedateerde gewijzigde beslissing op bezwaar toegezonden. Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend behandeling ter zitting achterwege te laten. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 24 september 2010 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Hierbij is het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard. Gelet hierop staat de onrechtmatigheid van het bij de rechtbank bestreden besluit van 13 november 2008 en van de bij dat besluit gehandhaafde besluiten van 10 april 2008 en 24 april 2008 vast. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak moet hierom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep alsnog gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. De proceskosten worden begroot op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage. Uitsluitend voor de in die bijlage genoemde proceshandelingen kan een vergoeding worden toegekend. Dit leidt tot een vergoeding van € 644, - ter zake van de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, een vergoeding van € 644, - aan kosten van rechtbijstand in beroep en een vergoeding van € 322, - aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep. Verder komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten die appellant heeft gemaakt voor het bijwonen van de hoorzitting in de bezwaarfase en van de zitting bij de rechtbank. Deze worden op basis van de kosten van openbaar vervoer, tweede klasse, begroot op € 25,60. Voor een veroordeling van het Uwv in de verlet- en reiskosten van de gemachtigde, zoals de gemachtigde bij schrijven van 1 november 2010 aan het Uwv heeft verzocht, biedt het Besluit proceskosten bestuursrecht geen grondslag. Deze kosten zijn begrepen in de toegekende vergoeding voor rechtsbijstand. Het vorenstaande leidt tot een vergoeding van in totaal € 1.635,60. Ten aanzien van het verzoek van de gemachtigde van appellant om een hogere wegingsfactor toe te kennen in verband met de zwaarte van de zaak merkt de Raad op dat een hogere wegingsfactor slechts wordt gehanteerd bij een van het gemiddelde afwijkende juridische en/of feitelijke complexiteit van de zaak. Daarvan is hier geen sprake. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 november 2008 gegrond en vernietigt dat besluit; Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.635,60; Bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 149, - vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011. (get.) B.M. van Dun. (get.) M.A. van Amerongen. IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.