← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1216

10/916 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 januari 2010, 09/1086 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 13 april 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.H. Beishuizen, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2011, waar appellant met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke. II. OVERWEGINGEN

  1. Het beroep van appellant is gericht tegen het besluit van 23 juni 2009 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 25 februari
  2. Daarbij is bepaald dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 26 april 2009 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.
  3. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
  4. In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat zijn energetische belastbaarheid in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) veel te gunstig is ingeschat, dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een urenbeperking en dat zijn handklachten zijn onderschat. Ten slotte is gesteld dat appellant niet in staat is om de geduide functies te vervullen.
  5. De Raad overweegt als volgt. 4.
  6. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Hij heeft geen reden om de onderzoeksbevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen, als verwoord in de FML, voor onjuist te houden. De Raad neemt in aanmerking dat eerdere verzekeringsgeneeskundige beoordelingen uit 2007, informatie uit de behandelende sector en een expertiserapport van een longarts hierbij afdoende zijn meegewogen. Ook is door de bezwaarverzekeringsarts voldoende uiteengezet waarom een urenbeperking niet meer is geïndiceerd. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van appellant dat de handklachten zijn onderschat. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn beperkingen in de FML onjuist zijn vastgesteld, is voor de Raad aldus genoegzaam vast komen te staan dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is. 4.
  7. Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn. De Raad is van oordeel dat alle mogelijke overschrijdingen voldoende zijn toegelicht. 4.
  8. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  9. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april
  10. (get.) D.J. van der Vos. (get.) N.S.A. El Hana. TM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.