← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1363

10/6083 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 september 2010, 10/1483 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 15 april 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wernik. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Sluijs. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Voor een uitgebreid overzicht van de feiten en omstandigheden van belang verwijst de Raad naar zijn tussen partijen gegeven uitspraak van 28 oktober 2009, LJN BK
  3. 1.
  4. Bij besluit van 5 februari 2010 heeft het Uwv – beslissend op bezwaar – gehandhaafd zijn besluit dat voor appellante per 7 juni 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat per 7 juni 2006 de zogenoemde wachttijd van 104 weken niet was volgemaakt.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 5 februari 2010 ongegrond verklaard. 3.
  6. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de procedure naar aanleiding van haar melding arbeidsongeschiktheid niet vlekkeloos is verlopen. Zij heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de Raad van 28 oktober 2009, genoemd in 1.
  7. Zij verzoekt daarom de Raad het onderhavige geschil te beoordelen zonder acht te slaan op de uitspraak van de Raad van 28 oktober
  8. 3.
  9. Ter zitting heeft appellante desgevraagd gesteld dat indien het niet tot de mogelijkheden behoort haar verzoek omschreven in 3.1 in te willigen niet aan het oordeel kan worden ontkomen dat meerbedoelde wachttijd niet is vervuld. 4.
  10. De Raad volgt appellante niet in haar standpunt en verzoek als bedoeld in 3.
  11. 4.
  12. De Raad heeft in zijn uitspraak van 28 november 2009 geoordeeld dat appellante per 7 juli 2004 geschikt is voor haar eigen werk van medewerker electromontage C. De Raad ziet niet in op grond waarvan aan het verzoek van appellante zou kunnen worden voldaan. In deze procedure kan niet aan het door de Raad bij uitspraak van 28 oktober 2009 tussen partijen gegeven oordeel worden voorbijgegaan als ware dit oordeel niet gegeven. Evenmin kan de juistheid van dit oordeel in deze procedure ter discussie worden gesteld. 4.
  13. Appellante heeft zich bij haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet WIA op het standpunt gesteld dat haar ongeschiktheid voor de functie van medewerker electromontage C is ingetreden per 7 juni
  14. Per 7 juni 2006 was gelet op 4.2 de in 1.2 bedoelde wachttijd van 104 weken – zoals ook door appellante erkend – nog niet verstreken. 4.
  15. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 5 februari 2010 – welk besluit zoals is aangegeven in 1.2 rust op de overweging dat de wachttijd nog niet is verstreken – mitsdien terecht ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 4.
  16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april
  17. (get.) G. van der Wiel. (get.) M. Mostert. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.