← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1602

10/2108 WWB-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 maart 2010, 08/7933 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag Datum uitspraak: 11 april 2011 I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 19 oktober 2010 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 19 oktober 2010 heeft appellante verzet gedaan. Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 februari 2011, waar partijen - appellante met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 19 oktober 2010 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 20 mei 2010 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. In het verzetschrift heeft appellante verklaard dat zij niet in staat is geweest het griffierecht te voldoen aangezien haar uitkering door de gemeente is opgeschort (en later ingetrokken). Ook heeft zij verklaard dat zij de gemeente heeft verzocht het griffierecht voor haar te voldoen en er daarbij van is uitgegaan dat de gemeente het griffierecht rechtstreeks aan de Raad zou overmaken. De Raad vindt hierin geen grond voor het oordeel dat het verzuim niet aan appellante kan worden tegengeworpen. Pas in verzet, en dus niet binnen de termijn waarbinnen het griffierecht moest worden voldaan, heeft appellante bij de Raad een beroep op financieel onvermogen gedaan. Evenmin heeft zij binnen die termijn de Raad om uitstel van betaling verzocht. Appellante heeft zich wel tijdig tot de gemeente gewend. Zij mocht er daarbij niet zonder meer van uitgaan dat de gemeente voor haar het griffierecht zou betalen. Het lag op de weg van appellante om - tijdig - bij de gemeente te informeren of het griffierecht inderdaad voor haar zou worden voldaan. Dat heeft zij echter niet gedaan. Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2011. (get.) T.G.M. Simons. (get.) D.W.M. Kaldenhoven. IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.