P R O C E S - V E R B A A L van de mondelinge uitspraak op 13 april 2011 CENTRALE RAAD VAN BEROEP Meervoudige kamer Zitting hebben: G.A.J. van den Hurk, als voorzitter, B.M. van Dun en B. Barentsen, als leden griffier: M.A. van Amerongen 3e Zaak, reg.nr.: 10/6816 WW Inzake: [Appellant], wonende te [woonplaats], appellant, verschenen bij gemachtigde mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat, tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verschenen bij gemachtigde mr. P.C.M. Huijzer. Bij besluit van 28 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen een besluit van 9 november 2009 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 4 november 2010, 10/844, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar aanleiding van het hoger beroep heeft de Raad het volgende overwogen. Het besluit van 9 november 2009 is naar het adres verzonden waarop appellant bij de gemeentelijke basisadministratie was ingeschreven, zodat het op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De termijn van zes weken voor het maken van bezwaar is daarmee aangevangen op 10 november 2009 en geeïndigd op 21 december
- Daaraan doet niet af dat dit besluit niet aangetekend is verzonden. Er is geen wettelijke bepaling die het Uwv daartoe verplicht, ook niet wanneer het gaat om een ambtshalve genomen, voor de belanghebbende belastend, besluit. Evenmin is van belang dat appellant in verband met zijn werkzaamheden als scheepskok eerst op 16 december 2009 van dit besluit kennis heeft kunnen nemen, omdat de datum van ontvangst niet bepalend is voor de vraag wanneer de bezwaartermijn een aanvang heeft genomen. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 november 2009 is door het Uwv ontvangen op 28 december
- De rechtbank heeft dus terecht aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar tegen het besluit van 9 november 2009 is overschreden. De Raad onderschrijft ook de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de niet-verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Ter zitting is vastgesteld dat appellant zich eerst omstreeks Kerstmis 2009 bij zijn gemachtigde heeft gemeld. In dat verband acht de Raad van belang dat niet duidelijk is gemaakt om welke reden appellant niet in staat zou zijn geweest om zelf of met hulp van zijn rechtshulpverlener, die al meerdere procedures voor hem had gevoerd, (voorlopig) bezwaar te maken in de periode tussen zijn thuiskomst op 16 december 2009 en 21 december
- Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Gelet op deze uitkomst bestaat er geen ruimte om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals door de gemachtigde van appellant ter zitting is verzocht. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Waarvan proces-verbaal. Utrecht, 13 april
- De griffier. De voorzitter. (get.) M.A. van Amerongen (get.) G.A.J. van den Hurk Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep.