09/5721 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 september 2009, 08/2031 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 22 april 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel van 17 november 2009 ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart
- Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Leeuwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante was werkzaam als facilitair medewerker gedurende 28 uur per week. Zij is op 15 september 2003 wegens psychische en fysieke klachten uitgevallen. Haar is met ingang van 13 september 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.
- Na een herbeoordeling met toepassing van het Schattingsbesluit, zoals dat tot 1 oktober 2004 gold, heeft het Uwv bij besluit van 3 maart 2008 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 4 mei 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. 1.
- Het tegen het besluit van 3 maart 2008 door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 juni 2008 door het Uwv gegrond verklaard. Daarbij is het besluit van 3 maart 2008 herroepen en is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 28 juli 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
- De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het beroep tegen het besluit van 19 juni 2008 (bestreden besluit) ongegrond is. 3.
- In hoger beroep heeft appellante verwezen naar hetgeen eerder door haar in bezwaar en in beroep door haar naar voren is gebracht. Ter zitting heeft appellante desgevraagd de gronden met betrekking tot - kort samengevat - het primair door een arts, niet zijnde een geregistreerde verzekeringsarts, verrichte medisch onderzoek, de actualiteit van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies en de verslechtering van de positie van appellante in bezwaar (“reformatio in peius”) ingetrokken. Door deze processuele houding van appellante behoeven deze gronden - strikt beschouwd - thans geen bespreking meer. De Raad hecht er echter wel aan op te merken dat naar zijn oordeel de rechtbank deze door appellante in beroep al opgeworpen en in hoger beroep zonder nadere toelichting herhaalde gronden uitvoerig en gemotiveerd heeft verworpen. Een herhaling van beroepsgronden in hoger beroep op deze wijze, gevolgd door een intrekking ter zitting na een vraagstelling daarover, komt de Raad uit een oogpunt van doelmatig procederen weinig efficiënt voor. 3.
- Aldus resteren in hoger beroep de volgende gronden. 3.2.
- Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit is betoogd dat de psychische belastbaarheid van appellante door het Uwv op onvoldoende zorgvuldige wijze is vastgesteld, namelijk slechts op grond van een kort spreekuurcontact. Ook is ten onrechte in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 24 januari 2008 geen beperking opgenomen ten aanzien van afwisseling van houding. Verder dient appellante tegen zichzelf - zij neigt ertoe zich zelf te overvragen - in bescherming te worden genomen door middel van het opnemen in de FML van een duurbeperking. 3.2.
- Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is door appellante aangevoerd dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies niet passend zijn. De tot sbc-code 272043 behorende functies van medewerker gordijnen zijn volgens appellante niet passend te achten, reeds omdat daarin wordt gewerkt met naaimachines, terwijl appellante niet met machines en dus ook niet met naaimachines mag werken. De door het Uwv gegeven motivering van de passendheid van die functies komt volgens appellante neer op een ongeoorloofde relativering van de belastbaarheid: een naaimachine is immers ook een machine. Ook wordt in deze functies gewerkt bij een strijktafel en is dus sprake van verhoogd persoonlijk risico. Ook de overige functies, te weten die van electronicamonteur (sbc-code 267040), naaister (sbc-code 272042) en medewerker postale diensten (sbc-code 315140) worden niet passend geacht, in het bijzonder omdat appellante zich daarin zal overvragen. Ten slotte is appellante van mening dat de totaalbelasting in al deze functies te groot is.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat hij geen aanknopingspunten heeft gezien daarover anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank met betrekking tot de medische aspecten - met name in de overwegingen 2.5 tot en met 2.9 - heeft overwogen. Hij heeft daaraan niets toe te voegen en verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de grond dat in de FML ten onrechte geen beperking is opgenomen ten aanzien van het aspect afwisseling van houding is de Raad van oordeel dat deze grond bij gebreke van enig ondersteunend objectief medisch gegeven niet kan leiden tot het oordeel dat de FML onjuist is. 4.
- Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. In de FML van 24 januari 2008 is opgenomen dat appellante is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. De in de primaire fase van de besluitvorming beoordelende arts A. Bijleveld heeft in het rapport van 24 januari 2008 dat als volgt toegelicht: “In verband met de medicatie mag zij niet werken in situatie met verhoogd persoonlijk risico, werken met machines of op grote hoogte.” Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv door middel van het onder rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport van bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel overtuigend de strekking van de betreffende beperking uiteengezet. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat daarmee natuurlijk is bedoeld dat appellant niet mag werken met machines, waarbij ze, als ze verminderd geconcentreerd zou zijn dan wel een flauwte zou krijgen, gewond zou kunnen geraken dan wel anderen iets zou aandoen. Bedoeld kan nooit zijn dat appellante in het geheel niet met machines mag werken, want daarvoor ontbreekt de verzekeringsgeneeskundige basis. Hij heeft daaraan toegevoegd dat ervan kan worden uitgegaan dat bovengenoemde concentratiezwakten dan wel flauwten niet frequent voorkomen, nu van de betreffende medicatie (het antidepressivum Efexor) is aangetoond dat dergelijke bijwerkingen na langdurig gebruik in ernst en frequentie afnemen, zo deze bij appellante al eens zijn opgetreden. Anders dan appellante heeft betoogd, is het voor de Raad zonneklaar dat hierin geen ongeoorloofde relativering van de belastbaarheid van appellante is gelegen, maar alleen een voor de hand liggende uitleg is gegeven van de redelijkerwijs te begrijpen strekking van de bedoeling van Bijleveld bij het opnemen van de betreffende beperking in de FML. 4.
- Met betrekking tot de overige arbeidskundige gronden, voor zover gelet op hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen, in hoger beroep nog van belang, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, gelet op de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk van 26 mei 2008, 17 juni 2008 en 31 juli 2008, deze voldoende heeft gemotiveerd dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies passend zijn voor appellante, ook gelet op de daarin voorkomende totaalbelasting. 4.
- Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april
- (get.) C.W.J. Schoor. (get.) M. Mostert. NW