← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2330

10/4544 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2010, 09/4479 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 22 april 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart

  1. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. 1.
  3. Appellant heeft op 27 januari 2009 wederom aan het Uwv verzocht om terug te komen van de eerdere weigering om aan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Het Uwv heeft deze aanvraag aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat niet was gebleken van nieuwe aspecten, heeft het Uwv deze aanvraag bij besluit van 24 maart 2009 afgewezen. 1.
  4. Het tegen het besluit van 24 maart 2009 door appellant gemaakte bezwaar is, nadat hij in de gelegenheid was gesteld het bezwaar mondeling toe te lichten, bij besluit van 27 augustus 2009 ongegrond verklaard onder de overweging dat appellant bij zijn aanvraag geen stukken heeft bijgevoegd die nog niet bekend waren. Het Uwv heeft tevens vastgesteld dat het verzoek van appellant in feite het besluit van 27 januari 1997 betreft, waarbij hem geen arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 27 augustus 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
  6. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij het onzorgvuldig vindt dat er geen medisch onderzoek heeft plaatsgehad. Hij heeft benadrukt dat hij na afloop van de wettelijke wachttijd in 1992 nog steeds ernstig ziek was en niet in staat was om te werken.
  7. De Raad overweegt als volgt. 4.
  8. Het Uwv was, nu de aanvraag van een nieuwe aanvraag was na eerdere afwijzende beslissingen, in het licht van artikel 4:6 van de Awb bevoegd om het onderzoek te beperken tot de vraag of er nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden door appellant bij de aanvraag zijn vermeld. 4.
  9. Evenals de rechtbank – en op de door haar in de aangevallen uitspraak aangegeven gronden – is de Raad van oordeel dat appellant bij zijn aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft gesteld. 4.
  10. Hieruit volgt dat het Uwv bevoegd was het verzoek van appellant af te wijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzingen. Niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. 4.
  11. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april
  13. (get.) C.W.J. Schoor. (get.) M. Mostert. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.