← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3678

10/5227 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 12 augustus 2010, 08/2613 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 4 mei 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage van 3 november 2010 van de bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart

  1. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 5 maart 2008 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werkneemster] (hierna: werkneemster) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA. 1.
  3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 juli 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportages van bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier van 4 juni 2008 en van bezwaararbeidsdeskundige Havermans van 17 juli 2008, ongegrond verklaard.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat er geen sprake is van een bevredigend resultaat, nu niet is gekomen tot werkhervatting van de werkneemster. Voorts heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Volgens de rechtbank had appellante gedurende de wachttijd van de Wet WIA inspanningen in het kader van werkhervatting in het eerste en tweede spoor dienen te verrichten, nu uit de stukken niet kan worden afgeleid dat bij werkneemster sprake was van een situatie van “geen duurzaam benutbare mogelijkheden”. Met betrekking tot de beroepsgrond van appellante dat haar geen verwijt treft omdat zij in beginsel mag afgaan op het deskundig en medisch oordeel van de door haar ingeschakelde gecertificeerde arbodienst heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009, LJN BK
  5. Naar het oordeel van de rechtbank had van appellante mogen worden verwacht dat zij de verrichtingen van de door haar ingeschakelde bedrijfsarts kritischer had gevolgd en was nagegaan welke mogelijkheden er nog waren voor een optimaal re-integratieresultaat. 3.
  6. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij zich steeds actief heeft opgesteld tijdens het re-integratieproces, waarbij zij zich uitgebreid heeft laten adviseren en dat zij op alle ontwikkelingen adequaat en tijdig heeft gereageerd. Zij is dan ook van mening dat haar niet kan worden verweten dat het traject niet tot een bevredigend resultaat kon leiden. Evenmin kan zij zich verenigen met het standpunt van het Uwv en het oordeel van de rechtbank dat zij als werkgever formeel verantwoordelijk is voor de eventueel inadequate adviezen van de arbodienst. 3.
  7. In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat de adviezen van de arbodienst aan appellante inzake de belastbaarheid van werkneemster gedurende langere tijd een beeld schetsen dat niet door het Uwv wordt onderschreven, omdat werkneemster wel beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden. Volgens het Uwv blijft appellante verantwoordelijk voor de re-integratie van haar werkneemster en heeft zij op basis van de adviezen van de arbodienst ten onrechte geconcludeerd dat werkneemster geen mogelijkheden tot werkhervatting had. 4.
  8. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 4.
  9. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. 4.
  10. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de verzekeringsarts van 31 januari 2008 en van de arbeidsdeskundige van 3 maart 2008, alsmede in bezwaar op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 4 juni 2008 en de bezwaararbeidsdeskundige van 17 juli
  11. De verzekeringsarts heeft naar aanleiding van de toetsing van het re-integratieverslag aangegeven dat werkneemster over benutbare mogelijkheden beschikte en heeft de daarbij in acht te nemen beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 11 februari 2008 aangegeven. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat het re-integratieresultaat onvoldoende is en dat daarvoor geen deugdelijke grond is, omdat de werkneemster van appellante niet wilde meewerken aan mediation en zij naar aanleiding van de brieven van de arbodienst geen overleg heeft gevoerd over de mogelijkheden tot het inzetten van re-integratie-activiteiten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapportage gemotiveerd aangegeven dat werkneemster niet voldoet aan de criteria om geen duurzaam benutbare mogelijkheden aan te nemen en achtte haar met de schouderklachten in staat om aangepast werk te verrichten, nu zij voor haar schouderoperatie tijdelijk in aangepast werk heeft hervat en na het herstel van de operatie deze aangepaste werkzaamheden ook had kunnen verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geen aanleiding gezien af te wijken van het oordeel van de arbeidsdeskundige, waarbij hij nog heeft aangegeven dat appellante verantwoordelijk blijft voor de door haar ingeschakelde deskundigen. Dat appellante de adviezen van de door haar ingeschakelde arbodienst heeft gevolgd, levert volgens de bezwaararbeidsdeskundige dan ook geen deugdelijke grond op. 4.
  12. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor de het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Weliswaar heeft de bedrijfsarts naar aanleiding van de spreekuurcontacten aangegeven dat werkneemster arbeidsongeschikt was, maar in de periode van 7 juni 2007 tot 13 september 2007 maakte hij wel melding van geschiktheid voor beperkte werkhervatting en werd appellante geadviseerd afspraken met werkneemster te maken over schoudersparend werk. Uit de eerstejaarsevaluatie van het plan van aanpak blijkt evenmin dat sprake is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden en uit de visie van de bedrijfsarts van 23 juli 2007, bij de (later ingetrokken) aanvraag van appellante om een deskundigenoordeel, blijkt dat hij aangaf dat werkneemster mogelijkheden had om gedeeltelijk te starten in passend werk, waarbij hij adviseerde om per 23 juli 2007 te starten met 10 uur per week licht fysiek werk verdeeld over vijf dagen. Eind juli/begin augustus 2007 heeft werkneemster, voorafgaand aan haar schouderoperatie op 17 augustus 2007, gedeeltelijk in aangepast werk hervat. In het actueel oordeel van 3 januari 2008 is vermeld dat werkneemster niet werkt, maar dat zij wel benutbare mogelijkheden heeft. Volgens de arbeidsdeskundige zijn er geen bijstellingen van het plan van aanpak en ontbreekt over de periode juli 2007 tot januari 2008 de medische informatie volledig. Naar het oordeel van de Raad is door de (bezwaar)verzekeringsarts dan ook terecht geconcludeerd dat er tijdens de wachttijd ingevolge de Wet WIA geen sprake was van geen duurzaam benutbare mogelijkheden en dat er mitsdien mogelijkheden tot werkhervatting waren. De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft op basis daarvan terecht gesteld dat appellante geen onderzoek heeft gedaan naar arbeidsmogelijkheden in het eerste spoor en als die er niet zouden zijn in het tweede spoor. Het standpunt van appellante dat werkneemster zich tijdens het re-integratietraject onwelwillend heeft opgesteld, doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid en verplichtingen van appellante om voldoende re-integratie-inspanningen te verrichten en levert evenmin een deugdelijke grond op. 4.
  13. Met betrekking tot de door appellante aangevoerde grond dat zij zich niet kan verenigen met het standpunt van het Uwv dat zij formeel verantwoordelijk is voor de eventueel inadequate adviezen van de arbodienst, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij appellante is gelegen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. 4.
  14. Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het besluit tot het opleggen van een loonsanctie in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  15. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei
  16. (get.) Ch. van Voorst. (get.) M. Mostert. KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.