09/2417 WWB 09/5351 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 maart 2009, 08/1928 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg (hierna: College) Datum uitspraak: 3 mei 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nijk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Kramer, werkzaam bij de gemeente Hardenberg. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Bij besluit van 15 maart 2004 heeft het College aan appellant op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal toegekend tot een bedrag van € 21.000,--. Deze bijstand had de vorm van een rentedragende lening en diende te worden aangewend ter financiering van een snackwagen en een bedrijfsbus. Bij besluit van 13 mei 2004 heeft het College appellant voorts met ingang van 13 november 2003 algemene bijstand ingevolge het Bbz 2004 toegekend in de vorm van een renteloze lening. Daarbij is appellant onder meer gewezen op de inlichtingenverplichting en op de verplichting een behoorlijke administratie te voeren. Bij besluit van 1 maart 2005, voor zover van belang, is de verlening van algemene bijstand voortgezet en is appellant de mogelijkheid geboden om naast de verkoop van snacks een handel in oud ijzer op te zetten. Bij besluit van 4 april 2006 heeft het College de algemene bijstand met ingang van 1 juni 2006 beëindigd. Tegen deze beëindiging heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend. 1.
- Nadat was gezien dat appellant in een vrij dure Mercedes Benz reed en was vastgesteld dat hij, zonder daarvan aan het College mededeling te hebben gedaan, de snackwagen in februari 2005 en de bedrijfsbus in augustus 2005 had verkocht, heeft de gemeente Hardenberg op 21 september 2006 conservatoir beslag op de Mercedes laten leggen teneinde aflossing te verkrijgen van het aan appellant verleende bedrijfskrediet. In oktober 2006 heeft appellant contant een bedrag van € 22.500,-- aan een deurwaarder betaald, waarmee hij het bedrijfskrediet plus de verschuldigde rente tot en met oktober 2006 afloste. Na de betaling van vermeld bedrag is het beslag opgeheven. Wegens kosten van de deurwaarder resteerde een bedrag van € 2.389,
- 1.
- Voorts heeft de Unit Regionale Sociale Recherche Zwolle en omstreken (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat verband is onder andere dossieronderzoek verricht, is de consulent zelfstandigen gehoord, is het kentekenregister van de Rijksdienst voor Wegverkeer geraadpleegd, is een nader onderzoek ingesteld naar de ten name van appellant geregistreerde kentekens, is de boekhouder van appellant gehoord en is appellant verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 31 januari
- 1.
- Op grond van de resultaten van het onderzoek heeft het College bij besluit van 13 februari 2007, voor zover nog van belang, een bedrag van € 2.389,82 van appellant gevorderd, zijnde het restant van de kosten van de deurwaarder in verband met het conservatoir beslag. Voorts heeft het College de algemene bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 mei 2006 herzien (lees: ingetrokken) en teruggevorderd. Daartoe is overwogen dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door te verzwijgen dat hij de snackwagen heeft verkocht en de standplaatsvergunning per 1 januari 2005 niet heeft verlengd, waardoor hij in feite geen zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 meer was en niet langer aanspraak op een uitkering ingevolge het Bbz 2004 kon maken. Voorts is appellant verweten dat hij geen melding heeft gemaakt van de aanschaf van een tweetal vrachtwagens en een relatief dure personenauto. Tenslotte is gesteld dat het recht op en de definitieve hoogte van de als renteloze lening verstrekte bijstand achteraf niet is vast te stellen vanwege een ondeugdelijke dan wel onbetrouwbare administratie. 1.
- Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 februari 2007, voor zover gericht tegen de terugvordering van de deurwaarderskosten en tegen de intrekking en terugvordering van de algemene bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 mei 2006, ongegrond verklaard. De intrekking en de terugvordering heeft het College daarbij gebaseerd op de artikelen 12, tweede lid, en 38 van het Bbz
- 1.
- De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 juli 2008, 07/1985, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft in de eerste plaats geoordeeld dat bij het besluit van 9 oktober 2007 de deurwaarderskosten ten onrechte van appellant zijn teruggevorderd. Voorts heeft de rechtbank in de uitspraak onder meer het volgende overwogen (waarbij appellant als eiser en het College als verweerder is aangeduid): “De herziening en terugvordering van het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 mei 2006 tot een bedrag van € 15.147,
- (…) Met betrekking tot het betreffende onderdeel van het bestreden besluit is sprake van bijstand, verleend in de vorm van een renteloze geldlening. De rechtbank is van oordeel dat van een definitieve vaststelling van het netto inkomen over het betreffende boekjaar in de zin van artikel 12 van het Bbz 2004 geen sprake is geweest. Overigens is een zodanige definitieve vaststelling niet te kenschetsen als een herziening. Verweerder heeft aangegeven dat een juiste vaststelling van bedoeld inkomen niet mogelijk was door de handelwijze van eiser. De rechtbank is van oordeel dat uit de beschikbare gegevens inderdaad niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat eiser met zijn activiteiten exact heeft verdiend en of en in welke mate daarmee de jaarnorm is overschreden. Artikel 12 van het Bbz biedt volgens de rechtbank in een zodanig geval geen mogelijkheid om aan te nemen dat het inkomen een bepaalde hoogte heeft gehad, zoals verweerder dat heeft gedaan. De rechtbank ziet aanleiding het beroep ook op dit onderdeel gegrond te verklaren. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de rechtsgevolgen van dit onderdeel van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Bij de beoordeling heeft de rechtbank onder meer gelet op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 november 2006, gepubliceerd onder LJN: AZ2938 en een uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 november 2007, LJN: BB
- De rechtbank overweegt in dit verband dat verweerder aan de verstrekking van de betreffende leenbijstand onder meer de voorwaarde heeft verbonden dat eiser een behoorlijke administratie moest voeren. De rechtbank is van oordeel dat, indien eiser geen behoorlijke administratie heeft gevoerd over de periode in geding, verweerder gelet op het bepaald in artikel 47 van het Bbz 2004 gehouden is de kosten van bijstand verleend in de vorm van een geldlening van eiser terug te vorderen. Dat artikel 47 van het Bbz in zulke omstandigheden aan de orde is leidt de rechtbank onder meer af uit de genoemde uitspraak van de CRvB, gepubliceerd onder LJN: AZ
- Er is ten aanzien van artikel 47 van het Bbz 2004 sprake van een zogenoemde zelfstandige terugvorderingsgrond waarbij voorafgaande herziening niet aan de orde is. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende gegevens aanwezig zijn om te beoordelen of eiser over zowel 2005 als 2006 een behoorlijke administratie heeft gevoerd. Er zijn immers over 2006 (nog) geen boekhoudkundige gegevens aanwezig. De rechtbank kan de rechtsgevolgen van het bestreden besluit derhalve niet in stand laten nu onvoldoende duidelijk is in hoeverre artikel 47 van het Bbz 2004 kan worden toegepast.” 1.
- Bij besluit van 5 september 2008, zoals gewijzigd bij besluit van 26 september 2008, heeft het College ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 23 juli 2008 opnieuw op de bezwaren van appellant tegen het besluit van 13 februari 2007 beslist. Het College blijft van oordeel dat appellant, althans over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005, geen behoorlijke administratie heeft gevoerd waardoor hij niet heeft voldaan aan de uit de lening voortvloeiende verplichtingen. Met toepassing van artikel 47 van het Bbz 2004 wordt de over genoemde periode verleende bijstand tot een bedrag van € 10.761,27 van appellant teruggevorderd. Ten aanzien van de over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 mei 2006 verleende bijstand zal een besluit worden genomen na beoordeling van de over 2006 nog aan te leveren jaarstukken. Ten slotte heeft het College de bezwaren tegen de terugvordering van de kosten van de deurwaarder in verband met het gelegde conservatoir beslag op de auto van appellant (andermaal) ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 26 september 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat het College geen juiste uitvoering heeft gegeven aan haar uitspraak van 23 juli 2008, omdat het College de terugvordering van het bedrag aan deurwaarderskosten van € 2.389,82 heeft gehandhaafd. Reeds daarom moet het beroep gegrond worden verklaard en het besluit van 26 september 2008 worden vernietigd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat zij in haar uitspraak van 23 juli 2008 heeft geoordeeld dat appellant over 2005 geen behoorlijke administratie heeft gevoerd en onvoldoende gegevens heeft overgelegd om het voor het College mogelijk te maken de inkomsten van appellant vast te stellen en te bepalen in welke mate de voor appellant geldende jaarnorm is overschreden. Aangezien het College geen onderscheid heeft gemaakt tussen de periode van 1 januari tot en met 31 december 2005 en de periode van 1 januari tot en met 31 december 2006 en slechts het totale bedrag van de terugvordering heeft vastgesteld, zag de rechtbank geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het besluit van 9 oktober 2007 deels - voor wat betreft 2005 - in stand te laten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij zich in haar uitspraak van 23 juli 2008 reeds definitief in voornoemde zin uitgesproken over 2005, zodat appellant, nu hij in die uitspraak heeft berust, in de procedure tegen het besluit van 26 september 2008 niet opnieuw ter discussie kan stellen of hij over 2005 een behoorlijke administratie heeft gevoerd, of hij ten onrechte bijstand heeft ontvangen en of het College de betaalde bijstand kan terugvorderen.
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Blijkens het verhandelde ter zitting van de Raad resteert als enige beroepsgrond dat het oordeel van de rechtbank, dat zij in haar uitspraak van 23 juli 2008 reeds had beslist over de intrekking en de terugvordering over 2005 en dat die beslissing onherroepelijk is geworden doordat daartegen geen hoger beroep is ingesteld, onjuist is.
- Het College heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 23 april 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij de terugvordering van de algemene bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 is gehandhaafd op de grond dat appellant over die periode geen deugdelijke administratie heeft gevoerd. De Raad zal dit nadere besluit met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrekken.
- De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellant doel treft. 5.
- De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat in de uitspraak van 23 juli 2008 geen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel is neergelegd over de grondslag van het besluit van 9 oktober 2007 dat de administratie van appellant over 2005 ondeugdelijk is geweest, of over de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. De Raad wijst in dit verband op de overwegingen van de rechtbank in bedoelde uitspraak: “ dat, indien eiser geen behoorlijke administratie heeft gevoerd over de periode in geding” en “De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende gegevens aanwezig zijn om te beoordelen of eiser over zowel 2005 als 2006 een behoorlijke administratie heeft gevoerd. Er zijn immers over 2006 (nog) geen boekhoudkundige gegevens aanwezig.” Voorts stelt de Raad vast dat, indien de rechtbank bij haar uitspraak van 23 juli 2008 al van oordeel was dat de administratie van appellant over 2005 niet deugdelijk was, verwacht had mogen worden dat de rechtbank dat oordeel duidelijk zou hebben gemotiveerd, hetgeen niet is gebeurd. Gelet hierop kon van appellant redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij hoger beroep had ingesteld tegen de uitspraak van 23 juli
- Hij kon daarom bij de rechtbank nog beroepsgronden aanvoeren tegen het besluit van 26 september
- 5.
- Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. 5.
- Bij het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 23 april 2009 heeft het College de terugvordering van de algemene bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 gehandhaafd op de grond dat appellant in die periode geen deugdelijke boekhouding heeft gevoerd, waarmee hij niet voldeed aan de uit de lening voortvloeiende verplichtingen. 5.3.
- In artikel 47 van het Bbz 2004 is bepaald dat, onverminderd de artikelen 40 en 41, de kosten van bijstand verleend in de vorm van een geldlening van de zelfstandige worden teruggevorderd, indien hij hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt. 5.3.
- Blijkens de zich onder de stukken bevindende winst- en verliesrekening over 2005 heeft appellant over dat jaar geen omzet gehad. Voorts heeft appellant volgens het rapport van de sociale recherche van 31 januari 2007 in 2005 twee vrachtwagens gekocht en een vrachtwagen verkocht die niet zijn verantwoord in de jaarstukken. Uit het rapport van de sociale recherche van 31 januari 2007 blijkt verder dat appellant op 5 november 2005 de eerder vermelde Mercedes Benz heeft gekocht voor een bedrag van € 16.150,-- welk bedrag hij contant heeft betaald. Aangezien appellant blijkens de stukken over 2005 als zelfstandige een verlies heeft geleden van € 7.104,45 en bijstand heeft ontvangen om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, moet de Raad het er met het College voor houden dat de administratie van appellant over 2005 niet deugdelijk is geweest. Dit betekent dat het College de aan appellant over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 verleende bijstand terecht heeft teruggevorderd. Ten overvloede tekent de Raad nog aan dat appellant, in strijd met hem de in het besluit van 13 mei 2004 opgelegde inlichtingenverplichting, aan het College in 2005 geen mededeling heeft gedaan van de verkoop van de snackwagen en bedrijfsbus en van het niet verlengen van de standplaatsvergunning. 5.3.
- Het beroep dat appellant geacht moet worden te hebben ingesteld tegen het besluit van 23 april 2009 moet daarom ongegrond worden verklaard.
- De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand en op € 35,80 voor reiskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 april 2009 ongegrond; Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 679,80 te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei
- (get.) R.H.M. Roelofs. (get.) B. Bekkers. HD