10/607 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 6 januari 2010, 09/790 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 4 mei 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft S.A.E. Vancraeynest, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Schuijt. II. OVERWEGINGEN
- Appellant heeft 16 juni 2008 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aangevraagd. Bij besluit van 3 oktober 2008 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 12 januari 2009 is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 12 januari 2009 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat dit besluit een draagkrachtige motivering ontbeert. De rechtbank heeft de conclusies van de door appellant ingeschakelde deskundige psychiater Achilles gevolgd.
- Appellant heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de rechtbank ten onrechte de conclusies van Achilles heeft gevolgd.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- De verzekeringsarts heeft op basis van zijn onderzoek van appellant en aanwezige informatie van de behandelend sector geconcludeerd dat appellant belastbaar is voor arbeid, mits rekening wordt gehouden met verminderde mogelijkheden tot persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts heeft vervolgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Appellant heeft een brief van 7 augustus 2008 van behandelend psychiater Nerad overgelegd, waarin is vermeld dat meerdere diagnoses zijn gesteld, onder andere chronisch PTSS, depressieve stoornis, angststoornis met agorafobie, tweedegeneratie(oorlogs)problematiek en persoonlijkheidsstoornis NAO. 4.
- In bezwaar heeft appellant een brief van 11 november 2008 van Nerad overgelegd, waarin is vermeld dat appellant contacten vermijdt vanwege sociale hypersensitiviteit. Daarbij zijn de door haar geconstateerde beperkingen opgesomd, waaronder niet kunnen reizen met openbaar vervoer, reizen met eigen voertuig alleen buiten de spits en niet kunnen werken met computers in verband met frustraties en spanningen. De bezwaarverzekeringsarts heeft - mede op basis van zijn onderzoek van appellant - ingestemd met de FML. Daarbij is overwogen dat in tegenstelling tot de behandelaars de (bezwaar)verzekeringsarts gehouden is aan ziekte als oorzaak van beperkingen. 4.
- In zijn rapport van 16 november 2009 heeft Achilles geconcludeerd dat hij op grond van eigen onderzoek geen beperkingen kan formuleren. Op basis van de verklaringen van appellant sluit hij zich aan bij de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. Achilles ziet geen reden om deze niet als reëel te kwalificeren. Appellant heeft geen psychopathologie in engere zin laten zien. Er is beslist geen sprake van PTSS of depressie. Ook is er geen persoonlijkheidsstoornis. Een aantal klachten zou kunnen worden verklaard vanuit neurotische kwetsbaarheid in combinatie met verminderde mogelijkheden tot coping. Een verklaring voor de andersluidende conclusies van Nerad zou volgens Achilles kunnen zijn dat die conclusies voornamelijk zijn gebaseerd op door appellant ingevulde vragenlijsten en niet op observaties, dan wel dat appellant zich destijds in een andere conditie presenteerde. 4.
- De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat het medische onderzoek van Achilles onzorgvuldig is. Het onderzoek is gebaseerd op twee gesprekken met appellant en uitvoerige informatie van de behandelend sector. De duur van de gesprekken is daarbij niet doorslaggevend, nog daargelaten of de gesprekken - die volgens Achilles tezamen tweeënhalf uur hebben geduurd - als kort moeten worden gekwalificeerd. Ook in het uitvoerige rapport van Achilles ziet de Raad geen aanwijzingen dat sprake zou zijn van onzorgvuldig onderzoek. In het rapport is vermeld dat dit aan appellant ter correctie van feitelijke onjuistheden is toegestuurd en appellant heeft aangegeven dat geen correcties nodig zijn. De Raad stelt vast dat appellant de juistheid van deze vermelding niet heeft betwist. 4.
- Appellant heeft gesteld dat de verklaring die Achilles heeft gegeven voor de discrepantie tussen zijn bevindingen en die van Nerad in de brief van 11 november 2008 onjuist is. Anders dan appellant stelt, is de Raad niet gebleken dat de bevindingen van Nerad zijn gebaseerd op langdurige en intensieve observaties met betrekking tot de toestand van appellant op de datum in geding. Appellant heeft geen nadere informatie overgelegd die deze stelling van appellant kan bevestigen. De brieven van Nerad geven - anders dan het rapport van Achilles - geen inzicht in de onderzoeksbevindingen die aan de conclusies ten grondslag liggen. Achilles heeft aangegeven dat in de brieven van Nerad een beschrijving van psychiatrisch onderzoek of observaties van bijvoorbeeld verpleegkundigen niet zijn te vinden. Voorts acht de Raad van belang dat Nerad in haar brief van 7 augustus 2008 heeft aangegeven dat het redelijk goed gaat met appellant. Appellant was in de periode van 19 november 2006 tot 7 juli 2007 opgenomen en heeft nadien éénmaal per twee weken dagbehandeling ondergaan. Nerad heeft in de brief van 7 augustus 2008 de GAF-score ingeschat op 61-70, terwijl in het behandelplan bij aanvang van de behandeling op 19 november 2006 de GAF-score nog op 50 werd ingeschat. 4.
- Appellant heeft een behandeladvies van 19 augustus 2010 van het Psychotrauma diagnosecentrum (PDG) te Utrecht overgelegd. De Raad overweegt dat in het behandeladvies - zo het daar al voor zou zijn bestemd - geen conclusies worden getrokken ten aanzien van (de omvang van) de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid op de datum in geding. Het onderzoek van het PDG dateert van ruim anderhalf jaar na de datum in geding, in tegenstelling tot de onderzoeken van de verzekeringarts en de bezwaarverzekeringsarts die korte tijd voor, respectievelijk na de datum in geding hebben plaatsgevonden. Voorts is van belang dat de (bezwaar)verzekeringsarts in verband met de psychische klachten diverse beperkingen heeft aangenomen. 4.
- Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van Achilles en de vastgestelde beperkingen. Derhalve heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het inschakelen van een deskundige. 4.
- Wat betreft de door de (bezwaar)arbeidskundige geselecteerde functies is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid daarvan door de (bezwaar)arbeidsdeskundige voldoende is toegelicht. De Raad is niet gebleken dat de belasting in de functies de belastbaarheid van appellant overschrijdt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant terecht in staat is geacht de geselecteerde functies te verrichten. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 12 januari 2009 in stand blijven. Derhalve moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden bevestigd. 5.
- Nu de rechtsgevolgen van het besluit van 12 januari 2009 geheel in stand blijven, bestaat geen aanleiding het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente in te willigen. 5.
- Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) stelt de Raad vast dat, uitgaande van de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant op 13 november 2008, de redelijke termijn voor deze procedure in drie instanties - welke termijn in beginsel vier jaar bedraagt voor de procedure in haar geheel - niet is overschreden. Voor het hanteren van een kortere termijn ziet de Raad in dit geval geen aanleiding.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en G. van der Wiel en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei
- (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen. (get.) D.E.P.M. Bary. NW