09/4343 WAJONG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juni 2009, 09/284 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 27 april 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis. II. OVERWEGINGEN 1.
- Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari
- 1.
- Naar aanleiding van een aanvraag van 14 april 2008 om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering is appellant onderzocht door de verzekeringsarts M. Oldenbeuving-Smits die in haar rapport van 12 juni 2008 heeft vastgesteld dat er bij appellant sprake is van gedragsproblemen en antisociaal gedrag. Daarnaast is er sprake van een instabiel linkerschouder. Zij is tot de conclusie gekomen dat appellant als gevolg van deze psychische en lichamelijke klachten beperkingen heeft ten aanzien van normaal functioneren. Deze beperkingen heeft zij vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Als eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft zij vastgesteld 27 juli
- Met inachtneming van deze FML is een arbeidskundige tot de conclusie gekomen dat er op de vrije arbeidsmarkt geen loonvormende arbeid voor appellant aanwezig is en dat het verlies aan verdiencapaciteit dient te worden vastgesteld op 100%. Op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag dient appellant derhalve voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt te worden beschouwd. Bij besluit van 21 juli 2008 heeft het Uwv appellant met ingang van 15 april 2007 een Wajong-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat ingevolge de Wajong de uitkering niet eerder kan ingaan dat één jaar voor de datum van de aanvraag. Van deze regel kan slechts worden afgeweken in het geval belanghebbende vanwege bijzondere omstandigheden niet eerder een aanvraag heeft kunnen indienen. Dergelijke bijzondere omstandigheden heeft het Uwv niet aanwezig geacht. De omstandigheid dat appellant niet op de hoogte was van het bestaan van de Wajong kan niet als zodanig worden aangemerkt. 2.
- In bezwaar heeft appellant bestreden dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden in voormelde zin. Vanwege zeer problematische leefomstandigheden met drugs, alcohol, agressie en geweldsdelicten en een zwervend bestaan is hij niet in staat geweest, zo hij al van het bestaan van de Wajong op de hoogte was geweest, eerder een aanvraag in te dienen dan hij heeft gedaan. Bovendien wist hij niet en behoefde hij ook niet te weten dat hij arbeidsongeschikt was. Daarnaast heeft hij een beroep gedaan op bijzondere hardheid als bedoeld in artikel 3 van het Besluit vaststelling regels ingaan AAW-uitkering met terugwerkende kracht (hierna: het Besluit). Als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid heeft hij vele jaren een inkomen gehad dat lag onder het sociaal minimum. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij inkomensgegevens overgelegd uit de jaren 2001 tot en met
- 2.
- Bij besluit van 15 januari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv, in overeenstemming met het rapport van een bezwaarverzekeringsarts, zich op het standpunt gesteld dat er geen medische verschoonbare redenen zijn voor de te late aanvraag en dat er derhalve geen sprake is van een bijzondere omstandigheid in voormelde zin. Voorts heeft het Uwv overwogen dat, nu er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid, het toetsen aan bijzondere hardheid als bedoeld in artikel 3 van het Besluit niet aan de orde is. 3.
- In beroep heeft appellant de in bezwaar naar voren gebrachte gronden herhaald. 3.
- De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het bestreden besluit en heeft het beroep ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant er op gewezen dat de schouderklachten de directe aanleiding zijn geweest voor de onderhavige aanvraag. De aanwezigheid van een psychische stoornis heeft hij niet eerder onderkend dan nadat de verzekeringsarts Oldenbeuving-Smits in haar rapport van 12 juni 2008 heeft vastgesteld dat er bij appellant sprake is van een persoonlijkheidstoornis.
- Artikel 29 Wajong, voor zover hier van belang, luidt als volgt.
- De arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag, met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning voldoet.
- In afwijking van het eerste lid kan de uitkering niet eerder ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag voor de toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken. 6.
- De Raad staat in de eerste plaats voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank moet worden gevolgd in het oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29 Wajong. Deze vraag beantwoordt de Raad op grond van de volgende overwegingen bevestigend. 6.
- Ten aanzien van de stelling van appellant dat hij niet op de hoogte was van het bestaan van de Wajong en dat hij pas in een te laat stadium door personen en/of instellingen attent is gemaakt op de mogelijkheid van het aanvragen van een Wajong-uitkering overweegt de Raad dat ingevolge vaste rechtspraak van de Raad een dergelijke onbekendheid met de wettelijke mogelijkheden geen bijzonder geval in vorenbedoelde zin oplevert. 6.
- Ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie gekomen dat er sprake is van bijzonder geval in voormelde zin. Op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens is de Raad niet tot het oordeel kunnen komen dat appellant als gevolg van zijn beperkingen bij voortduring buiten staat is geweest zijn eigen belangen te behartigen en dat hij feitelijk niet eerder dan op 14 april 2008, zoals hij heeft gesteld, een Wajong-aanvraag heeft kunnen indienen. Evenmin is de Raad tot het oordeel kunnen komen dat appellant niet eerder heeft kunnen begrijpen dat er bij hem sprake was van arbeidsongeschiktheid. De gedingstukken laten naar het oordeel van de Raad in voldoende mate zien dat appellant al vanaf zijn 16e gedragsproblemen kende en dat er bij hem al geruime tijd sprake was van een verstoorde agressieregulatie. Op grond hiervan had appellant eerder dan op 14 april 2008 moeten kunnen begrijpen dat dit gedrag beperkingen met zich bracht in zijn functioneren in loonvormende arbeid. De stelling van appellant dat hij dit pas heeft kunnen begrijpen na het rapport van de verzekeringsarts Oldenbeuving-Smits deelt de Raad niet. 6.
- Ten slotte overweegt de Raad dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de financiële situatie van een verzekerde eerst aan de orde komt in het kader van de gebruikmaking van de bevoegdheid van het Uwv om de uitkering met verdere terugwerkende kracht dan een jaar te doen ingaan, derhalve nadat in positieve zin is beantwoord de vraag of sprake is van een bijzonder geval dat een zodanige bevoegdheid doet ontstaan. Zoals uit vorenstaande blijkt is de Raad met het Uwv van oordeel dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een bijzonder geval, zodat naar het oordeel van de Raad het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vraag of er sprake is van een bijzondere hardheid in de zin van artikel 3 van het Besluit niet aan de orde is. 6.
- Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april
- (get.) T. Hoogenboom. (get.) T.J. van der Torn. JL