10/4404 WSF Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2010, 09/2116 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister). Datum uitspraak: 13 mei 2011 I. PROCESVERLOOP In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep. Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april
- Voor appellant is verschenen zijn vader, R. [W.] Voor de Minister is verschenen mr. K.F. Hofstee. II. OVERWEGINGEN
- Appellant heeft de Minister verzocht de aan hem over de periode september 2006 tot en met december 2007 toegekende prestatiebeurs om te zetten in een gift. De Minister heeft dit verzoek aanvankelijk, bij besluit van 3 januari 2009, gehonoreerd, maar dit besluit op 19 juni 2009 ingetrokken. De intrekking van het besluit van 3 januari 2009 is bij brief van 22 juni 2009 toegelicht.
- De Minister heeft het tegen het besluit van 19 juni 2009 gemaakte bezwaar bij besluit van 22 juli 2009 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 22 juli 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de Minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat omzetting niet mogelijk is. De door appellant gevolgde opleiding is sinds 1 januari 2008 niet meer een opleiding die recht geeft op een diploma. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het primair tot de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling moet worden gerekend om de instromende studenten naar behoren te informeren over een aanstaande wijziging in de status van een aan die instelling te volgen opleiding en de daaruit voor de rechtspositie van de student voortvloeiende consequenties met betrekking tot het recht op studiefinanciering. De Nationale Luchtvaartschool (NLS) had met de betekenis en de gevolgen van het Koninklijk Besluit van 4 april 2003, waarmee - kort gezegd - werd bepaald tot welk tijdstip een onderwijsinstelling opleidingen kort-hbo kon verzorgen, redelijkerwijs bekend moeten zijn. De Minister is bij de toekenning van de studiefinanciering volgens de rechtbank niet tekortgeschoten in zijn informatieplicht. De omzetting mocht naar het oordeel van de rechtbank ongedaan worden gemaakt.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- In artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 is bepaald, voor zover hier van belang, dat herziening van een beschikking mogelijk is op grond van het feit dat de studiefinanciering in een onjuiste vorm is toegekend. In het derde lid van dit artikel is bepaald, voor zover hier van belang, dat deze herziening moet plaatsvinden binnen 5 jaren na het einde van het studiefinancieringstijdvak waarop de beschikking betrekking heeft. 4.
- Artikel 5.7, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) luidde ten tijde hier van belang als volgt: ‘Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs het afsluitend examen van een hbo bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) met goed gevolg heeft afgesloten, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.’ 4.
- Het na 31 december 2007 door appellant met goed gevolg afgesloten examen is, gelet op artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 en artikel 7.3a van de WHW, niet een afsluitend examen als bedoeld in artikel 5.7 van de Wsf
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant na 31 december 2007 met de door hem gevolgde opleiding dan ook niet (meer) onder het toepassingsbereik van laatstgenoemd artikel viel. Dat appellant tot en met 31 december 2007 voor een op dat moment nog geaccrediteerde opleiding studiefinanciering heeft genoten, brengt daarin geen verandering. De Raad wijst erop dat voor omzetting van een prestatiebeurs in een gift niet van belang is voor welke opleiding studiefinanciering is verstrekt, maar welk diploma ten grondslag wordt gelegd aan het verzoek tot omzetting. De informatie op de toekenningsbesluiten, dat de verstrekte prestatiebeurs bij het behalen van een diploma binnen de diplomatermijn wordt omgezet, moet ook in dat licht worden bezien, zodat appellants stelling dat hij erop mocht vertrouwen dat zijn beurs bij het tijdig behalen van een diploma zou worden omgezet niet kan worden gevolgd. 4.
- Door een aanvang te maken met zijn opleiding aan de NLS op een zodanig tijdstip dat het met goed gevolg behalen van het afsluitend examen van deze opleiding vóór 1 januari 2008 niet meer mogelijk was, heeft appellant, al dan niet bewust, het risico aanvaard dat de aan hem toegekende prestatiebeurs niet (meer) met toepassing van artikel 5.7 van de Wsf 2000 zou kunnen worden omgezet in een gift. Onbekendheid met de wijziging van de regelgeving disculpeert niet. Dat de Minister over (de gevolgen van) het vervallen van de accreditatie geen (gerichte) informatie heeft verschaft aan (aankomende) studerenden aan de NLS, maakt dat niet anders. Daar komt bij dat de Minister niet kan treden in de afwegingen die studerenden maken bij het nemen van de beslissing om studiefinanciering voor een bepaalde opleiding aan te vragen. 4.
- Het beroep op de uitspraak van de rechtbank Haarlem in de zaak 09/996 kan appellant niet baten. Deze uitspraak, waarin de rechtbank van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, is in hoger beroep bij uitspraak van 26 november 2010, LJN BO5800, door de Raad vernietigd. 4.
- Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht en op juiste gronden heeft geoordeeld de Minister het besluit van 3 januari 2009 mocht herzien en dat het besluit van 19 juni 2009 tot afwijzing van het verzoek om omzetting in bezwaar mocht worden gehandhaafd. 4.
- Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei
- (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen. (get.) M.A. van Amerongen. NW