09/3036 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 april 2009, 09/301 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College) Datum uitspraak: 10 mei 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart
- Voor appellant is verschenen mr. De Glas. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van Maaren, werkzaam bij de gemeente Nijmegen. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Bij besluit van 25 juni 2007 heeft het College de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen op de grond dat appellant niet kan aantonen dat hij woont op het door hem opgegeven adres [naam straat] te [woonplaats]. 1.
- Appellant heeft zich op 10 juli 2008 gemeld bij het CWI voor het doen van een nieuwe aanvraag om bijstand. De aanvraag is op 17 juli 2008 ingediend en door de Afdeling Zorg en Inkomen van de gemeente Nijmegen (hierna: Afdeling Z&I) in behandeling genomen. Appellant heeft op het aanvraagformulier vermeld dat zijn verblijfadres [naam straat] te [woonplaats] is, en dat hij op dat adres samenwoont met [zijn zus]. Het onderzoek naar het recht op bijstand van appellant is vervolgens met name gericht geweest op de woonsituatie van appellant. In dat kader is drie maal getracht een huisbezoek af te leggen, waarbij niemand is thuisgetroffen, is een observatie verricht bij het opgegeven adres, is op 25 augustus 2008 met appellant gesproken op het kantoor van de Afdeling Z&I, en heeft aansluitend aan dat gesprek een huisbezoek plaatsgevonden. De medebewoonster, de zus van appellant, heeft schriftelijk verklaard dat zij samen met appellant woont op het adres [naam straat] te [woonplaats]. 1.
- Bij besluit van 8 september 2008 heeft het College de aanvraag om bijstand afgewezen. Bij besluit van 15 december 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2008 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij ten tijde van zijn aanvraag daadwerkelijk zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres, zodat zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 december 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het College bij besluit van 25 juni 2007 een eerdere aanvraag om bijstand van appellant heeft afgewezen, dat dit besluit onherroepelijk is geworden, en dat het in een dergelijk geval op de weg van de aanvrager ligt om - in het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand per een latere datum - aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat thans wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd.
- Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De Raad zal eerst ingaan op de stelling van appellant dat de rechtbank, in strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is getreden buiten de grenzen van het haar voorgelegde geschil, aangezien zij een andere grond voor afwijzing van de bijstand heeft gehanteerd dan is neergelegd in het besluit van 15 december
- 4.1.
- Deze stelling treft doel. De rechtbank had haar beoordeling moeten richten op de in het besluit van 15 december 2008 gehanteerde grond. Door de ongegrondverklaring van het beroep te baseren op een andere, niet in dat besluit neergelegde afwijzingsgrond, heeft de rechtbank de grondslag van het besluit uitgebreid en heeft zij daarmee de grenzen van het haar voorgelegde geschil overschreden. De aangevallen uitspraak komt dus wegens strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. 4.1.
- De uitspraak van de Raad van 27 januari 2009, LJN BH2274, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, maakt het voorgaande niet anders. In het in die uitspraak beoordeelde geval had het College in de bezwaarfase reeds het standpunt ingenomen dat bij de nieuwe aanvraag om bijstand geen sprake was van - vergeleken met de situatie ten tijde van de eerder afgewezen aanvraag - nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. 4.
- De Raad zal vervolgens de beroepsgronden tegen het in het besluit van 15 december 2008 neergelegde standpunt van het College beoordelen. 4.
- In dit geding ligt ter beoordeling voor de periode van 10 juli 2008 (de meldingsdatum) tot en met 8 september 2008 (de datum van het primaire besluit). 4.
- De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. In geval van een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager om de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bestuursorgaan om deze inlichtingen in het kader van de onderzoeksverplichting op juistheid en volledigheid te controleren. 4.
- De Raad is van oordeel dat het College op basis van de inhoud van de door appellant afgelegde verklaring over zijn woon- en verblijfsituatie en de bevindingen van het onderzoek terecht de conclusie heeft getrokken dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woont op het bij zijn aanvraag opgegeven adres. De Raad verwijst kortheidshalve naar een samenvatting van de verklaring en de bevindingen zoals opgenomen in het besluit van 15 december 2008 en in het verweerschrift van het College in hoger beroep. De Raad acht daarbij van doorslaggevend belang dat appellant heeft verklaard dat hij overdag niet veel op dat adres is, dat hij daar in de weekenden niet overnacht en dat hij er niet eet, alsmede dat hij er, behalve wat kleding, geen persoonlijke spullen heeft. Dat laatste is ook vastgesteld bij het verrichte huisbezoek, waarbij voorts niet kon worden vastgesteld dat appellant op dat adres over een eigen (slaap)kamer beschikte. Dat appellant heeft verklaard dat hij doordeweeks meestal wel op het opgegeven adres slaapt, acht de Raad tegen de achtergrond van de overige bevindingen onvoldoende om aan te nemen dat appellant daadwerkelijk woonde op dat adres. 4.
- Het door appellant overgelegde indicatie-advies van Centrum indicatiestelling zorg van 21 januari 2008 brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Aan dat advies, dat is afgegeven ruim voor de hier ter beoordeling staande periode en voorziet in algemene ondersteunende begeleiding van appellant in verband met zijn psychosociale problemen, kunnen geen conclusies worden verbonden met betrekking tot de feitelijke woonsituatie van appellant ten tijde hier van belang. 4.
- De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat het College in het kader van deze aanvraag onvoldoende onderzoek heeft verricht. Appellant heeft daarbij met name het oog op het achterwege laten van het inwinnen van inlichtingen bij zijn directe familie. Onder verwijzing naar hetgeen onder 4.4 is overwogen, is de Raad van oordeel dat het College voldoende invulling heeft gegeven aan de daar bedoelde onderzoeksverplichting door een observatie te doen en door de op het kantoor van de Afdeling Z&I door appellant afgelegde verklaring op juistheid te controleren en te onderzoeken door middel van het afleggen van een huisbezoek. Een verdergaande verplichting ziet de Raad in dit geval niet. 4.
- Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat het College de afwijzing van de bijstandsaanvraag van appellant bij het besluit van 15 december 2008 terecht heeft gehandhaafd. Dit betekent dat het beroep tegen dat besluit ongegrond dient te worden verklaard.
- De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 december 2008 ongegrond Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--; Bepaalt dat het College het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en C. van Viegen en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei
- ) J.C.F. Talman. (get.) N.M. van Gorkum. HD