← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5036

09/4044 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 juni 2009, 08/7547 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv). Datum uitspraak: 18 mei 2011 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 21 maart 2011 heeft appellante een brief van 1 maart 2011 van neurochirurg Th.W. Selen en een brief van 18 maart 2011 van fysiotherapeut C.M. Blom ingestuurd. In reactie hierop heeft het Uwv een rapport van 30 maart 2011 van bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst ingestuurd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april

  1. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als groepleidster voor 34,5 uur per week. Appellante heeft zich per 23 november 2004, op welke datum zij een WW-uitkering ontving, arbeidsongeschikt gemeld wegens diverse lichamelijke klachten. Bij het einde van de wachttijd is haar met ingang van 21 november 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35%. Hierbij is overwogen dat appellante met inachtneming van de voor haar gestelde beperkingen, die zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 november 2006, geschikt werd geacht voor de geduide functies. 1.
  3. Op 20 maart 2007 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een WW-uitkering ontving, opnieuw ziek gemeld vanwege een geplande knieoperatie. Daarnaast heeft appellante rug- en darmklachten. Op 11 september 2008 is appellante gezien op het spreekuur van de arts R. van Leeuwen, die appellante met ingang van 12 september 2008 geschikt acht voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Op basis hiervan is bij besluit van 11 september 2008 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 12 september 2008 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.
  4. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft de door de huisarts bij brief van 15 oktober 2008 met bijlagen verstrekte informatie bij zijn beoordeling betrokken. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 22 oktober 2008 geconcludeerd dat er bij appellante geen afwijkingen van betekenis werden gevonden, wel was er diffuse pijnaangifte. Uit de van de huisarts verkregen gegevens kwamen geen nieuwe bijzonderheden naar voren. De bezwaarverzekeringsarts kan zich vinden in het oordeel van de verzekeringsarts dat appellante geschikt is te achten voor de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies. Bij besluit van 23 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 september 2008 ongegrond verklaard.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen dat appellante met ingang van 12 september 2008 geschikt is voor tenminste één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat dit grotendeels lichte en overwegend zittende werkzaamheden betreft, met de mogelijkheid om van houding te kunnen wisselen.
  6. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij (voornamelijk) vanwege haar rugklachten niet in staat is om te werken. Het Uwv heeft haar belastbaarheid overschat. 4.
  7. De Raad overweegt als volgt. 4.
  8. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. 4.
  9. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA. 4.
  10. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt, op grond waarvan het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellante met ingang 12 september 2008 geschikt is te achten voor ‘haar arbeid’ in de zin van de ZW. Daartoe overweegt de Raad dat bezwaarverzekeringsarts Hulst in zijn rapportage van 22 oktober 2008 afdoende heeft gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellante ten tijde van de datum in geding niet is afgenomen ten aanzien van haar belastbaarheid zoals weergegeven in de FML van 15 november 2006, zodat appellante geschikt is te achten voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. Wat betreft de door appellante bij brief van 21 maart 2011 overgelegde medische gegevens kan de Raad zich vinden in het oordeel van bezwaarverzekeringsarts Hulst, zoals vervat in zijn rapportage van 30 maart 2011, dat in de FML van 15 november 2006 voldoende rekening is gehouden met de rugklachten van appellante. De met inachtneming van deze FML geduide functies zijn dan ook niet rugbelastend. Ook met de darmklachten van appellante is rekening gehouden in het kader van de WIA-beoordeling. Ten aanzien van de door appellante bij de ziekmelding aangegeven geplande knieoperatie overweegt de Raad dat de huisarts in zijn brief van 15 oktober 2008 heeft vermeld dat appellante daarvan goed is hersteld. Bij het lichamelijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts werden geen beperkingen aan de knieën gevonden. 4.
  11. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  12. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei
  13. (get.) Ch. van Voorst. (get.) R.L. Venneman. NW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.