10/931 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 december 2009, 08/2393 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 18 mei 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april
- Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Wolter. Het Uwv heeft zich met kennisgeving niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN
- Appellante ontving sinds 31 januari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering met ingang van 21 augustus 2006 is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
- Appellante heeft zich op 10 december 2007, toen zij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld.
- Bij besluit 4 april 2008 is aan appellante meegedeeld dat haar met ingang van 11 april 2008 geen ziekengeld meer wordt uitgekeerd, omdat zij op en na deze datum niet meer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid.
- Bij besluit van 1 juli 2008 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 april 2008 ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de primaire arts en de bezwaarverzekeringsarts en heeft daarbij onder meer overwogen dat de door appellante weergegeven klachten en de beleving van haar beperkingen niet bepalend zijn, maar de objectief medisch vastgestelde beperkingen van haar mogelijkheden om arbeid te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit op een deugdelijk medisch oordeel en is gedaagde er terecht van uit gegaan dat appellante op 11 april 2008 in staat was tenminste één van de haar in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies te vervullen.
- De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft in grote lijnen de daaraan ten grondslag gelegd overwegingen. In navolging van de rechtbank wijst de Raad er nogmaals op dat ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid van de Ziektewet de verzekerde recht heeft op ziekengeld bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken. Het standpunt van appellante dat zij op en na 11 april 2008 vanwege haar gezondheidstoestand niet in staat was om één van de hiervoor bedoelde functies te verrichten is niet met medische gegevens onderbouwd, zodat daarin geen grond is gelegen voor een ander oordeel.
- Uit hetgeen is overwogen onder 6 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoel in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) R.L. Venneman. TM