10/2617 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 21 april 2010, 09/1901 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 18 mei 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april
- Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Brauer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. II. OVERWEGINGEN
- Bij brief van 15 oktober 2008 is appellant door het Uwv in kennis gesteld van een besluit, waarbij aan hem met ingang van 3 november 2008 geen uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeisvermogen (Wet WIA) is toegekend.
- Bij bezwaarschrift van 15 juli 2009 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 oktober
- Bij besluit van 2 oktober 2009 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant alsnog wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen het besluit van 15 oktober
- Gelet op de beschikbare gegevens, waarvan in het bijzonder de in het journaal van de huisarts d.d. 13 mei 2009 gemaakte aantekening van een spreekuurcontact op 20 oktober 2008, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een ongeloofwaardige ontkenning door appellant van de ontvangst van het besluit van 15 oktober
- Gelet op het samenstel van onderliggende feiten en omstandigheden staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat appellant reeds op 20 oktober 2008 kennis droeg van het besluit van 15 oktober
- De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Met name voormelde aantekening in het journaal van de huisarts, luidende “20-10-2008 brief UWV Patient is arbeidsongeschikt voor huidige werk reintegratie?? Wel veel beperkingen” wijst erop dat appellant op dat moment kennis droeg het besluit van 15 oktober
- De term re-integratie staat wel in het besluit van 15 oktober 2008, maar niet in de brief van de arbeidsdeskundige van 14 oktober 2008 zodat aannemelijk is dat appellant bij het bezoek aan zijn huisarts op 20 oktober 2008 van dat besluit kennis droeg. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor een ander oordeel.
- Uit hetgeen is overwogen onder 5 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
- De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) R.L. Venneman. TM