← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6602

11/1984 AW-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxmeer (hierna: verzoeker), in verband met het hoger beroep van: verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 maart 2011, 09/5682 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) en verzoeker Datum uitspraak: 16 mei 2011 I. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei

  1. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th.A. Velo, advocaat te Utrecht, en A.J.M. Reintjes, werkzaam bij de gemeente Boxmeer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. T.B. Vandeginste, advocaat te Arnhem. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Betrokkene was vanaf 1 januari 2001 werkzaam bij de gemeente Boxmeer als [naam functie]. Bij besluit van 26 mei 2009 heeft verzoeker aan betrokkene per 1 juni 2009 ontslag verleend op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Daaraan is ten grondslag gelegd dat de functie van betrokkene is opgeheven, dat de door verzoeker verrichte pogingen om betrokkene te herplaatsen in een passende functie zijn gestrand als gevolg van de niet-coöperatieve opstelling van betrokkene en dat daardoor een onherstelbare impasse is ontstaan. Aan het ontslag is een ontslagregeling gebaseerd op hoofdstuk 10d van de CAR/UWO verbonden. 1.
  4. Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 26 mei 2009 heeft verzoeker bij besluit van 21 oktober 2009 primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft betrokkene beroep ingesteld bij de rechtbank. Hangende dit beroep heeft verzoeker op 14 december 2010 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 26 mei 2009 ongegrond is verklaard.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 21 oktober 2009 niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 14 december 2010 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 26 mei 2009 herroepen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat verzoeker betrokkene uit haar functie heeft ontheven en dat moet worden vastgesteld dat betrokkene daarna nooit definitief is geplaatst in een andere voor haar passende functie. Naar aanleiding van de stelling van verzoeker dat betrokkene niet heeft meegewerkt aan plaatsing in een functie bij de brandweer en aan detachering bij de gemeente Bergen heeft de rechtbank erop gewezen dat de gedingstukken onvoldoende inzicht bieden in de inhoud van de desbetreffende functies en de aan de vervulling van die functies verbonden voorwaarden. Daarom kan volgens de rechtbank geen oordeel worden gevormd over de vraag of de aangeboden werkzaamheden passend waren en deze redelijkerwijs van betrokkene konden worden verlangd. Volgens de rechtbank mag van verzoeker worden verwacht dat het in een situatie als deze niet grijpt naar het instrument van ontslag op grond van een gestelde onoplosbare problematiek, zolang andere rechtspositionele instrumenten, zoals het plaatsen van betrokkene in een passende functie, onbenut zijn gelaten. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat verzoeker niet bevoegd was om betrokkene op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO ontslag te verlenen.
  6. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en tevens de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak. Verzoeker heeft daarbij naar voren gebracht dat het gegeven ontslag op goede gronden berust en dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden. Volgens verzoeker zou uitvoering van de aangevallen uitspraak tot ongewenste gevolgen leiden, indien het hoger beroep zou slagen en de aangevallen uitspraak zou worden vernietigd. Daarbij heeft verzoeker erop gewezen dat het in dat geval aan betrokkene over de periode vanaf 1 juni 2009 uitbetaalde salaris bruto zou worden teruggevorderd, hetgeen voor betrokkene aanzienlijke financiële lasten zou meebrengen. Verder heeft verzoeker naar voren gebracht dat het ook thans niet mogelijk is om betrokkene een passende functie aan te bieden.
  7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 4.
  8. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4.
  9. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar de mening van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd. Weliswaar zijn gevallen denkbaar waarin de bij de uitvoering van een uitspraak betrokken belangen dermate zwaarwegend zijn, dat aan de hand van een voorlopig oordeel omtrent de mate van waarschijnlijkheid dat die uitspraak in stand zal kunnen blijven wordt bezien of voor doorbreking van het door de wetgever gewenste stelsel in het concrete voorliggende geval aanleiding bestaat, maar daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake. 4.
  10. De voorzieningenrechter ziet niet in dat uitvoering van de aangevallen uitspraak leidt tot voor verzoekers organisatie onoverkomelijke (financiële) problemen of onverantwoorde risico’s. De opvatting van verzoeker dat uitvoering van de aangevallen uitspraak tot ongewenste financiële gevolgen voor betrokkene kan leiden indien die uitspraak in hoger beroep zal worden vernietigd, levert - zoals van de zijde van verzoeker ter zitting is erkend - geen spoedeisend belang voor verzoeker op tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van een bijzonder verhaalsrisico bij betrokkene. Ook de stelling van verzoeker dat ook thans geen passende functie voorhanden is voor betrokkene, levert geen spoedeisend belang op. De verwachting dat er geen andere passende functie voor betrokkene zal kunnen worden gevonden en de eventuele consequenties daarvan zijn omstandigheden die behoren tot het normale risico van een bestuursorgaan en vormen geen reden om de werking van de aangevallen uitspraak te schorsen. 4.
  11. Gezien het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd niet een voldoende spoedeisend belang. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb zal daarom worden afgewezen.
  12. De voorzieningenrechter ziet tot slot aanleiding om verzoeker op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 437,- aan kosten van rechtsbijstand. III. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 437,-. Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei
  13. (get.) K.J. Kraan. (get.) M.C. Nijholt. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.