10/141 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Minister van Justitie, thans de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 november 2009, 09/713 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene), en appellant Datum uitspraak: 19 mei 2011 I. PROCESVERLOOP De toenmalige Minister van Justitie heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 10 maart
- Beide partijen zijn niet verschenen. II. OVERWEGINGEN
- Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Justitie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
- Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 2.
- Bij besluit van 30 oktober 2003 was aan betrokkene, destijds als secretaresse - in salarisschaal 5 - werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, met ingang van 1 december 2003 ontslag verleend. Bij uitspraak van 9 februari 2006 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage dat ontslagbesluit herroepen. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat die gezag van gewijsde heeft. 2.
- De inschaling van de secretaressefunctie van betrokkene was inmiddels met ingang van 1 januari 2004 verhoogd naar salarisschaal
- Bij het ongedaan maken van de rechtsgevolgen van het herroepen ontslagbesluit heeft appellant geweigerd betrokkene met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2004 te bevorderen naar schaal
- Appellant heeft die beslissing na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 maart 2009 (hierna: bestreden besluit).
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Verder heeft zij bij haar uitspraak betrokkene met ingang van 1 januari 2004 ingeschaald in salarisschaal 6 en appellant opgedragen het achterstallig salaris te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente.
- Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep overweegt de Raad als volgt. 4.
- Gegeven het herstel van haar dienstbetrekking was betrokkene op 1 januari 2004 aangesteld in de functie van secretaresse. Met ingang van die datum is de bij die functie behorende salarisschaal verhoogd. Daarom kwam betrokkene - als gevolg van het latere herstel van haar dienstbetrekking - alsnog met ingang van 1 januari 2004 in aanmerking voor die hogere schaal. Daaraan kan niet afdoen dat betrokkene op die datum wegens ziekte ongeschikt was voor haar functie en dat zij in passend werk zou moeten worden herplaatst. Appellant heeft in zijn verweerschrift bij de bezwaaradviescommissie gesteld dat hij betrokkene in een passende functie had moeten herplaatsen en dat “dat dan ergens in 2004 zou zijn gebeurd”. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het feit dat betrokkene niet eerder - vóór 1 januari 2004 - in ander passend werk is geplaatst, geheel voor rekening en risico dient te komen van appellant. Dat was immers een gevolg van het feit dat appellant een ontslagbesluit heeft genomen dat door de rechter is herroepen.
- De aangevallen uitspraak moet daarom, voor zover aangevochten, worden bevestigd.
- In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 437,- wegens kosten van juridische bijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; Veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 437,-; Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 433,-. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei
- (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) K. Moaddine. HD