← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7345

10/1365 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 21 januari 2010, 07/877 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Korpsbeheerder van de politieregio [naam regio] (hierna: korpsbeheerder) Datum uitspraak: 19 mei 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De korpsbeheerder heeft voor zijn verweer verwezen naar hetgeen hij eerder naar voren heeft gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.W.H. van den Berg en mr. W.M.H.J Gossen, beiden werkzaam bij de politieregio [naam regio]. II. OVERWEGINGEN
  2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak en de uitspraak van de rechtbank van 8 juni 2007, 06/
  3. De Raad volstaat hier met het volgende. 1.
  4. In het kader van het zogenoemde project Organisatieonderhoud heeft de korpsbeheerder bij besluit van 11 mei 2005 appellant met ingang van 1 januari 2005 geplaatst in de functie van Teamchef B Executieve Taken bij de afdeling Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van de politieregio [naam regio] en de beschrijving van die functie vastgesteld. Na bezwaar heeft de korpsbeheerder het besluit van 11 mei 2005 gehandhaafd bij besluit van 3 maart
  5. De rechtbank heeft bij de onder 1 genoemde uitspraak van 8 juni 2007 het beroep van appellant tegen het besluit van 3 maart 2006, gegrond verklaard, dat besluit wegens motiveringsgebrek vernietigd en bepaald dat de korpsbeheerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak. Ter uitvoering van die uitspraak heeft de korpsbeheerder bij het bestreden besluit van 30 juli 2007 het besluit van 11 mei 2005 opnieuw gehandhaafd.
  6. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  7. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 3.
  8. De Raad ziet aanleiding allereerst in te gaan op het ter zitting van de Raad gedane beroep van appellant op overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voor de wijze van beoordeling van appellants verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 26 januari 2009, LJN BH1009 en van 25 maart 2009, LJN BI
  9. 3.
  10. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de korpsbeheerder op 13 juli 2005 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak van de Raad zijn vijf jaar en ruim 9 maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met een jaar en negen maanden overschreden. 3.
  11. De Raad stelt vast dat de behandelingsduur in de rechterlijke fase de redelijke termijn niet heeft overschreden. De termijnoverschrijding is dan ook volledig aan de korpsbeheerder toe te rekenen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. De door appellant geleden schade moet worden vastgesteld op vier maal € 500,-. Dat is € 2.000,-. 3.
  12. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond zal verklaren, het bestreden besluit zal vernietigen en de korpsbeheerder, aan wie deze overschrijding moet worden toegerekend, zal veroordelen tot een schadevergoeding van € 2.000,-.
  13. De Raad zal vervolgens beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe wordt het volgende overwogen. 4.
  14. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat in de functiebeschrijving Teamchef B Executieve Taken onvoldoende tot uitdrukking komt dat hij zijn werkzaamheden verricht binnen de setting van de CIE, waar onder andere zeer gevoelige en bedrijfskritische gegevens worden beheerd. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat de kerntaak van appellants functie leidinggeven is. De functie van Teamchef B Executieve Taken behoort blijkens de functiebeschrijving ook tot het functieraster leiding. Voor de beschrijving van de functie maakt het niet uit of leiding wordt gegeven aan medewerkers die zich bezighouden met zeer specialistische werkzaamheden of aan medewerkers die zich daarmee niet bezighouden. De korps-beheerder heeft immers gekozen voor globale, resultaatgerichte functiebeschrijvingen, waarbij specifieke werkterreinen niet worden vermeld. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 6 november 2008, LJN BG4996, heeft overwogen staat het de korpsbeheerder vrij die keuze te maken, zij het dat de beschrijving zodanig behoort te zijn ingericht dat deze een adequate basis vormt voor (een consistente) toepassing van het functiewaarderings-systeem. 4.
  15. Appellant heeft voorts aangevoerd dat in de functiebeschrijving van Teamchef B Executieve Taken de bezwarende omstandigheden als geheimhouding, naamsbekendheid, kans op letsel, werken met gevoelige informatie, onvoorspelbare onregelmatigheid, hoog afbreukrisico en kwetsbaarheid van de functie, niet althans onvoldoende tot uitdrukking komen. Volgens de korpsbeheerder worden bezwarende omstandigheden expliciet in de functiebeschrijving vermeld als deze niet integraal zijn opgenomen in de overige onderdelen van de functiebeschrijving en beduidend vaker voorkomen dan gemiddeld. Nu appellant zich niet bezighoudt met uitvoerende werkzaamheden, zoals de medewerkers aan wie hij leiding geeft, kan de Raad met de rechtbank de korpsbeheerder volgen in zijn standpunt dat de door appellant genoemde bezwarende omstandigheden in de functie van appellant zich in het algemeen niet vaker voordoen dan in andere functies binnen de politieorganisatie dan wel inherent zijn aan het politiewerk. Naar het oordeel van de Raad was er dan ook voor de korpsbeheerder geen aanleiding de door appellant genoemde bezwarende omstandigheden in de functiebeschrijving Teamchef B Executieve Taken op te nemen. Dat de functiebeschrijving van de vervanger van appellant wel genoemde bezwarende omstandigheden vermeldt maakt dat niet anders, aangezien zijn vervanger een andere, geen leidinggevende, functie verricht. 4.
  16. Ten aanzien van appellants stelling dat zijn werkzaamheden als waarnemend Regionaal Informatiecoördinator en als Chef Informatie Staf Grootschalig en Bijzonder optreden niet zijn vermeld in de functiebeschrijving van Teamchef B Executieve Taken overweegt de Raad dat uit de gedingstukken niet is gebleken dat deze werkzaamheden een zodanig structureel karakter hebben of een zodanig substantieel onderdeel van zijn werkzaamheden uitmaken dat deze werkzaamheden in de functiebeschrijving van Teamchef B beschreven moeten worden.
  17. Gelet op het vorenoverwogene moeten de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten.
  18. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-, wegens verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.518,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; Veroordeelt de korpsbeheerder tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van € 2.000,-; Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.518,-; Bepaalt dat de korpsbeheerder aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 366,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei
  19. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) K. Moaddine. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.