09/6765 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 november 2009, 09/2347 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) en appellant Datum uitspraak: 26 mei 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april
- Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.J. van der Vlist, werkzaam bij de Servicedienst van de gemeente Rotterdam. Voor betrokkene is verschenen mr. J.H. van der Wouden, advocaat te Rotterdam. II. OVERWEGINGEN
- Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.
- Betrokkene was sinds 10 april 1996 werkzaam als wagenbestuurder bij de Rotterdamse Elektrische Tram (RET). Op 16 november 2005 is betrokkene uitgevallen wegens ziekte, ontstaan in en door de dienst. Bij de verzelfstandiging van de RET per 1 januari 2007 is betrokkene in dienst van de gemeente Rotterdam gebleven en ondergebracht bij de dienst Voormalige organisaties in liquidatie (Voil). Gedurende zijn ziekte is betrokkene tijdelijk, tot eind november 2007, werkzaam geweest bij de afdeling Instapcontrole (ISCO) van RET N.V. Met ingang van 1 januari 2008 is betrokkene een Werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (hierna: WGA-uitkering) toegekend als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 44%. Van januari tot medio maart 2009 heeft betrokkene bij wijze van proef administratieve werkzaamheden verricht in het archief van RET N.V. 1.
- Na daartoe bij brief van 6 oktober 2008 het voornemen kenbaar te hebben gemaakt, heeft appellant betrokkene bij besluit van 24 november 2008 met toepassing van artikel 90 van het Ambtenarenreglement Rotterdam (AR) met ingang van 1 maart 2009 eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Bij het bestreden besluit van 29 mei 2009 heeft appellant het bezwaar van betrokkene, in afwijking van het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met beslissingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht, het door betrokkene tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het besluit van 24 november 2008 herroepen.
- Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende. 3.
- Het geding spitst zich toe op de vraag of de voor het kunnen geven van ontslag gestelde voorwaarde is vervuld, die is opgenomen in artikel 90, tweede lid, aanhef en onder c, van het AR, inhoudende dat het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente passende arbeid op te dragen. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag in ontkennende zin. 3.
- Uit de beschikbare gegevens valt af te leiden dat de re-integratie-inspanningen van appellant vanaf mei 2007 voornamelijk gericht waren op het vinden van een arbeidsplaats voor betrokkene buiten het gezagsbereik van appellant en RET N.V. Dat er toen binnen de organisatie of RET N.V. geen reële arbeidsmogelijkheden waren, acht de Raad onvoldoende aangetoond. De door appellant in hoger beroep overgelegde arbeidskundige rapportage van 16 juli 2010, waarin nader is toegelicht waarom - achteraf bezien - de over de periode 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2008 vacant gekomen functies niet passend waren voor betrokkene, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Uit die rapportage blijkt niet dat is beoordeeld of een functie eventueel passend was te maken, bijvoorbeeld door middel van het faciliteren van een opleiding of aanpassingen van de werkplek, dan wel door vermindering van het aantal arbeidsuren. 3.
- De Raad erkent dat betrokkene ernstige beperkingen heeft, waardoor het niet gemakkelijk zal zijn geweest een passende functie voor hem te vinden. Het gaat de Raad echter te ver om te zeggen dat betrokkene in het geheel geen reële arbeidsmogelijkheid meer had, gezien ook de substantiële periode dat betrokkene passend werk heeft verricht bij ISCO. Juist gezien de forse beperkingen en het feit dat betrokkene daardoor moeilijk te bemiddelen is naar een arbeidsplaats buiten de gemeente Rotterdam, rustte er op appellant een verregaande verplichting zorgvuldig de arbeidsmogelijkheden binnen de gemeente te onderzoeken. Dat is destijds niet gebeurd. Dat betrokkene zelf aangaf geen interesse te hebben voor binnenwerk en kantoorfuncties, ontsloeg appellant niet van de verplichting alle mogelijkheden te onderzoeken, dus ook voor functies waarnaar de interesse van betrokkene niet bij voorkeur uitging. Op dit punt sluit de Raad aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. Appellant heeft erop gewezen dat het Uwv de re-integratie-inspanningen van appellant als voldoende heeft beoordeeld, aangezien er geen loonsanctie aan de gemeente is opgelegd. Hieraan kent de Raad voor dit geding echter geen betekenis toe, omdat dit oordeel dateert van november 2007 en is gebaseerd op het feit dat betrokkene voor 20 uur per week werkzaam was bij ISCO, hetgeen toen als maximaal haalbaar werd beoordeeld. 3.
- Het heeft de Raad voorts bevreemd dat appellant, nadat betrokkene zijn bedenkingen tegen een administratieve functie had laten varen en partijen waren overeengekomen door middel van een stage in het archief van RET N.V. te onderzoeken of betrokkene geschikt was (te maken) voor administratieve werkzaamheden, tot ontslagaanzegging is overgegaan, op een moment dat betrokkene nog niet eens met die werkzaamheden was begonnen. Naar het oordeel van de Raad had het voor de hand gelegen dat appellant eerst het verloop van die stage had afgewacht.
- Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- De Raad acht termen aanwezig om het college met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 874,- aan kosten van rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-; Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 447,- wordt geheven. Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en T. van Peijpe als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei
- (get.) M.C. Bruning. (get.) M.C. Nijholt. HD