10/1863 AW 10/1990 AW 10/4127 AW 10/6949 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: de Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht (hierna: korpsbeheerder) en [Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 februari 2010, 09/72 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: betrokkene en de korpsbeheerder Datum uitspraak: 26 mei 2011 I. PROCESVERLOOP Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpsbeheerder op 8 juli 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Op 22 december 2010 is aan dit besluit nadere uitwerking gegeven. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 10/1869 AW, 10/4126 AW, 11/83 AW en 10/2000 AW, plaatsgevonden op 28 april 2011. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.D.W. Smit-van Valkenhoef en mr. D.E. Blonk, beiden werkzaam bij de politieregio Utrecht. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Thans wordt in deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Betrokkene is per 30 januari 2006 in tijdelijke dienst voor de duur van zijn initiële opleiding aangesteld bij de politieregio Utrecht als aspirant van politie. Het salaris is vastgesteld op € 1.279,- bruto per maand, conform salarisschaal 4A, trede 1, Bijlage II van het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Het dienstverband met betrokkene is na zijn opleidingsperiode voortgezet. 1.2. Betrokkene heeft op 6 april 2007 verzocht om toekenning van een toelage op zijn salaris omdat naar zijn mening de salarisvaststelling bij zijn aanstelling niet conform het beleid, zoals beschreven in de Kadernota bezoldiging aspiranten PO 2002 (hierna: Kadernota), had plaatsgevonden. Op 1 oktober 2007 heeft de korpsbeheerder afwijzend op dit verzoek beslist. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.3. Hangende de afhandeling van het bezwaar heeft de korpsbeheerder het verzoek van betrokkene, in samenhang met een aantal vergelijkbare verzoeken, aan een nadere beoordeling onderworpen. Bij brief van 21 april 2008 is betrokkene over de uitkomst daarvan bericht. De korpsbeheerder heeft daarbij overwogen dat een verzoek om terug te komen van een onherroepelijk besluit, gezien artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), alleen inhoudelijk hoeft te worden beoordeeld als er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die de aanvrager niet (veel) eerder bekend waren of konden zijn. Omdat gedurende de selectieprocedure door de selecteurs en andere betrokken medewerkers geen melding is gemaakt van het beleid zoals geformuleerd in de Kadernota, is de korpsbeheerder nagegaan of in de aanstellingsbrief en het bijbehorende aanstellingsbesluit naar dat beleid is verwezen. Nu in het geval van betrokkene een dergelijke verwijzing in de aanstellingsbrief is opgenomen, is de korpsbeheerder ervan uitgegaan dat betrokkene vanaf dat moment op de hoogte was van het bestaan van het beleid. Indien korte tijd nadien was gevraagd om toekenning van een toelage, had het korps volgens de korpsbeheerder moeten nagaan of het beleid juist was toegepast. Nu dit pas meer dan een jaar later is gebeurd, bestaat een dergelijke verplichting volgens de korpsbeheerder niet meer. Het herzieningsverzoek is daarom niet verder inhoudelijk bekeken en de afwijzing van 1 oktober 2007 is gehandhaafd. 1.4. Bij besluit van 2 december 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft de korpsbeheerder het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover het betreft de periode na 6 april 2007, dat besluit in zoverre vernietigd, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, en opdracht gegeven tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat haar met betrekking tot het herzieningsverzoek van betrokkene niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. De afwijzing van dat verzoek houdt daarom stand voor zover het de periode tot 6 april 2007 betreft. Voor zover het de periode na die datum betreft, is die afwijzing naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de rechtspraak van de Raad, inhoudende dat het in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar is dat aan de ambtenaar de omstandigheid, dat hij er kortere of langere tijd in heeft berust dat hem geen of een te lage aanspraak is toegekend, ook voor de toekomst blijvend wordt tegengeworpen. Gelet hierop heeft de korpsbeheerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte nagelaten te beoordelen of betrokkene, gelet op de Kadernota en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling Instroom Aspiranten PO 2002 (hierna: Uitvoeringsregeling), vanaf 6 april 2007 in aanmerking komt voor een toelage. Daarbij heeft de rechtbank om proceseconomische redenen overwogen dat een nieuw besluit waarbij geen toelage wordt toegekend omdat het beleid daarin niet zou voorzien, de rechterlijke toets niet zal kunnen doorstaan. Volgens de rechtbank is het in de Uitvoeringsregeling opgenomen criterium “werk- en levenservaring” een objectief criterium en laat de Uitvoeringsregeling, anders dan ten aanzien van het criterium “overige omstandigheden”, geen onderhandelingsruimte. Een redelijke uitleg van de Uitvoeringsregeling kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook tot geen andere conclusie leiden dan dat het eerstgenoemde criterium in aanmerking moet worden genomen bij het nemen van een nieuw besluit. De rechtbank heeft de korpsbeheerder ten slotte veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. 2.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpsbeheerder op 8 juli 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, inhoudende toekenning met terugwerkende kracht tot 6 april 2007 van een toelage werving en behoud op basis van werkervaring. In een nader besluit van 22 december 2010 is de hoogte van de toelage berekend. 3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt. 3.1. In artikel 3 van het Bbp, zoals luidende ten tijde van belang, is de salarisvaststelling van de aspirant geregeld. De salarisschaal is ingevolge het eerste en tweede lid van dat artikel afhankelijk van het gevolgde opleidingsniveau, waarbij is bepaald dat bij aanstelling het salaris wordt vastgesteld op het minimumbedrag van de van toepassing zijnde schaal. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, kan daarvan in bijzondere situaties ten gunste van de aspirant worden afgeweken. Voorts is in artikel 19 van het Bbp bepaald dat een toelage kan worden toegekend om reden van werving of behoud tot een maximum van € 45.400,- per kalenderjaar. 3.1.1. De korpsbeheerder heeft in de Kadernota beleid vastgesteld ter uitvoering van de genoemde bepalingen. Dit beleid is nader uitgewerkt in de Uitvoeringsregeling. Daarin is aangegeven dat om de werving van kandidaten, anders dan schoolverlaters, kwantitatief en kwalitatief succesvol te laten zijn, is besloten om gebruik te maken van de mogelijkheid van artikel 3, vijfde lid, van het Bbp om ten gunste van de aspirant af te wijken van de minimum salarisbedragen, en wel in de vorm van toekenning van een toelage werving en behoud. De Uitvoeringsregeling bevat de volgende richtlijnen voor de toekenning van een toelage: •hogere opleiding: kandidaten die instromen op niveau 6 (eventueel niveau 5) en een afgeronde opleiding hebben op HBO- of WO-niveau kunnen een toelage krijgen bestaande uit maximaal 3 treden; •aantal jaren werk- en levenservaring: hoe hoger het aantal jaren werkervaring, hoe hoger de toelage; •het hoofd P&O heeft een gelimiteerde onderhandelingsruimte waarbinnen ruimte is om rekening te houden met het laatstverdiende salaris, persoonlijke omstandigheden en de mate waarin het korps de kandidaat graag wil binden. In het vervolg van de Uitvoeringsregeling zijn concrete aantallen periodieken genoemd behorende bij een afgeronde HBO- of WO-opleiding, bij diverse perioden van werkervaring, alsmede bij de als overige omstandigheden genoemde factoren “laatstverdiende salaris”, “persoonlijke omstandigheden” en “binding kandidaat aan korps”. Door de scores op de verschillende onderdelen van de toelage (hierna: toelagedeel) bij elkaar op te tellen wordt de hoogte van de totale toelage bepaald, waarbij de som van aanvangssalaris en toelage nooit hoger mag zijn dan het laatstverdiende salaris van de kandidaat. 3.2. Het hoger beroep van de korpsbeheerder richt zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de te nemen nieuwe beslissing op bezwaar. De korpsbeheerder heeft benadrukt dat als uitgangspunt geldt dat het standaardsalaris wordt toegekend, en dat een toelage slechts bij hoge uitzondering aan de orde is. Alleen aan kandidaten met een WO- of HBO-opleiding die instroomden op niveau 5 of 6 is, om ook voor hen een aantrekkelijke werkgever te zijn, standaard een toelage toegekend. Tot 2008, in welk jaar artikel 3 van het Bbp is gewijzigd, is slechts aan 5% van de aspiranten zonder WO- of HBO-opleiding een toelage verstrekt. Naar het oordeel van de korpsbeheerder heeft de rechtbank miskend dat in het beleid zoals neergelegd in Kadernota en Uitvoeringsregeling twee beslismomenten zijn te onderscheiden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.