10/5240 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 augustus 2010, 10/691 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 1 juli 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H. Put. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant ontving een uitkering op grond van de WAO, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.
- Bij besluit van 21 augustus 2009 heeft het Uwv die uitkering met ingang van 22 oktober 2009 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt. 1.
- Bij besluit van 18 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen dat besluit ingediende bezwaar gegrond verklaard en de uitkering pas vanaf 17 februari 2010 ingetrokken.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd geeft geen reden de medische standpunten die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen voor onjuist te houden. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan de rechterlijke toetsing doorstaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaararbeidsdeskundige uitvoerig en toereikend gemotiveerd dat de appellant voorgehouden functies de belastbaarheid van appellant, zoals neergelegd in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 9 december 2009, niet overschrijden. Appellant moet dan ook in staat worden geacht de hem voorgehouden functies te vervullen.
- Appellant heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak primair verwezen naar hetgeen door hem in bezwaar en beroep is aangevoerd. Hij benadrukt met name dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 9 december 2009 ten onrechte voorbij is gegaan aan de diagnose ernstige depressie met mogelijk psychotische kenmerken gesteld door de psychotherapeut Aallali in zijn brief van 24 juli
- De psychotherapeut Van Andel, die de behandeling van appellant heeft overgenomen van Aallali, heeft blijkens zijn brief van 5 juni 2009 geen nieuwe diagnose gesteld. In de visie van appellant sluit Van Andel zich aan bij Aallali en dient de bezwaarverzekeringsarts beter te motiveren waarom hij uitgaat van depressieve klachten en niet van een ernstige depressie met mogelijk psychotische kenmerken. 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden die in beroep zijn ingediend en in hoger beroep zijn herhaald afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd leidt de Raad niet tot het oordeel dat de FML van 9 december 2009 geen juist beeld geeft van de lichamelijke en psychische beperkingen van appellant op de datum in geding. 4.
- De verzekeringsarts heeft appellant op 17 april 2009 onderzocht, kennis genomen van de medische voorgeschiedenis en actuele informatie van de behandelend psychotherapeut Van Andel (de hierboven genoemde brief van 5 juni 2009) en de revalidatiearts (een brief van 24 februari 2009) bij zijn beoordeling betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant op 9 december 2009 op de hoorzitting gezien en aansluitend onderzocht. Hij heeft geconcludeerd dat de verzekeringsarts een goed en volledig onderzoek heeft verricht. Desalniettemin heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML op enkele items aangepast. In verband met de longklachten acht hij appellant ongeschikt voor werk in stoffige dampige ruimtes, in verband met medicatie acht hij appellant aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. Over de psychische klachten van appellant merkt de bezwaarverzekeringsarts op dat appellant tijdens de hoorzitting op hem geen depressieve indruk maakte. Uitgaande van de in dit geding van belang zijnde datum 17 februari 2010 en nu het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts in december 2009 heeft plaatsgevonden, kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan het onderzoek en de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft niet onderbouwd dat hij op 17 februari 2010 aan een ernstige depressie met mogelijk psychotische kenmerken leed. 4.
- Met betrekking tot de grieven van arbeidskundige aard sluit de Raad zich aan bij de reactie van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 november
- Naar het oordeel van de Raad is in die rapportage genoegzaam gemotiveerd waarom de functie van wikkelaar gezien het opleidingsniveau en de werkervaring van appellant voor hem wel geschikt moet worden geacht. 4.
- Het hoger treft geen doel.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli
- (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen. (get.) N.S.A. El Hana. NK