← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0632

09/6095 TW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 september 2009, 09/2277 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 1 juli 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei

  1. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Wernik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij uitspraak van 14 juli 2003 (02/1843) heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit van 11 november 2002, waarbij (een rechtsvoorganger van) het Uwv, beslissend op bezwaar, heeft gehandhaafd zijn besluit van 10 april 2001 dat appellant - met ingang van 20 februari 2001 - ingevolge de Toeslagenwet niet in aanmerking komt voor een toeslag op zijn werkloosheidsuitkering. Tegen deze uitspraak van de rechtbank van 14 juli 2003 is geen hoger beroep ingesteld. 1.
  3. Bij brief van 23 mei 2008 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van het hiervoor in 1.1 vermelde besluit van 10 april
  4. 1.
  5. Bij besluit van 19 december 2008 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 10 april
  6. 1.
  7. Bij besluit van 26 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv, voor zover van belang, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 april 2001 ongegrond verklaard.
  8. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  9. In hoger beroep, zoals ter zitting toegelicht, heeft appellant aangevoerd dat weliswaar geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar dat uit de latere besluitvorming over de toekenning aan appellant van een toeslag op zijn uitkering ingevolge de Ziektewet blijkt dat het besluit van 10 april 2001 evident onjuist is, zodat het Uwv gehouden is daarvan terug te komen.
  10. Over de hiervoor in 3 geformuleerde beroepsgrond oordeelt de Raad dat volgens vaste rechtspraak een dergelijke onjuistheid - wat van die onjuistheid overigens ook zij - als zodanig geen rol kan spelen in het kader van de toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Bij het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van deze bepaling was het Uwv bevoegd het verzoek van appellant af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit van 10 april
  11. Uit de overwegingen 3 en 4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli
  13. (get.) J.W. Schuttel. (get.) R.L. Venneman. NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.