← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1088

10/5364 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te Marokko (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2010, 09/4552, in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 8 juli 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft geen verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei

  1. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Sluys. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant is in december 1988 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als veldwerker in verband met klachten ten gevolge van geperforeerde trommelvliezen en hoofdpijn. Begin 1989 is appellant naar Marokko geremigreerd. Bij besluit van 5 maart 1990 heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) omdat appellant minder dan 25% respectievelijk 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Tegen dit besluit heeft appellant tevergeefs beroep en hoger beroep ingesteld. In 1998 heeft appellant verzocht om terug te komen van het besluit van 5 maart
  3. Het Uwv heeft dit verzoek bij besluit van 1 december 1998 afgewezen op de grond dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden om terug te komen van het besluit van 5 maart
  4. Het bezwaar tegen dat besluit is bij besluit van 12 maart 1999 ongegrond verklaard. 1.
  5. In 2004 heeft appellant opnieuw verzocht om terug te komen van het besluit van 5 maart
  6. Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft het Uwv het verzoek afgewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangetoond die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat de eerdere beslissing onjuist zou zijn. Het bezwaar tegen dat besluit is bij besluit van 28 december 2005 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek tot uitstel van het indienen van de gronden te laat is ontvangen en het verzoek bovendien niet met redenen is omkleed. Het beroep tegen dat besluit is bij uitspraak van 27 september 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 januari 2008 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 1.
  7. In augustus 2008 heeft appellant een derde maal verzocht om terug te komen van het besluit van 5 maart
  8. Bij besluit van 30 maart 2009, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 8 september 2009, heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, onder de overweging dat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  9. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven. 3.
  10. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 3.
  11. Allereerst stelt de Raad vast dat het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant ertoe strekt dat het Uwv van het eerdere besluit van 5 maart 1990 terugkomt. Ten aanzien van de afwijzing van dergelijke verzoeken hanteert de Raad de navolgende toetsingsnorm. 3.
  12. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. 3.
  13. Ter onderbouwing van zijn verzoeken heeft appellant medische stukken overgelegd die alle dateren van ruim na de datum in geding, 20 december 1989, en die vooral betrekking hebben op de actuele gezondheidstoestand van appellant. 3.
  14. Dit betekent dat weliswaar nieuwe medische verklaringen door appellant zijn overgelegd doch dat deze geen nieuwe feiten of omstandigheden vermelden in de zin van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van dit artikellid het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar het gestelde in het besluit van 5 maart
  15. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. 3.
  16. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  17. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli
  18. (get.) H.J. Simon. (get.) N.S.A. El Hana. NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.