← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2770

10/5651 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 8 september 2010, 09/612 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 22 juli 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, werkzaam bij Delescen Advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door de heer Aerts. Het Uwv was niet vertegenwoordigd. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante is op 3 oktober 2006 uitgevallen voor haar werk als electromonteur voor 32 uur per week in verband met vermoeidheidsklachten. Zij is daarna gereïntegreerd in haar eigen werk, zij het niet voor het volledig aantal uren van
  3. Bij besluit van 4 september 2008 heeft het Uwv aan appellante mede gedeeld dat er voor haar met ingang van 30 september 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 14 januari 2009 heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. 1.
  4. Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank en aangevoerd dat zij op de datum in geding volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was in de zin van de Wet WIA, in verband met de sterk wisselende belastbaarheid en grote recuperatietijd na iedere vorm van inspanning. Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat een urenbeperking van 26 uur per week dient te worden vastgesteld waarbij rekening wordt gehouden met ernstiger beperkingen op zowel psychisch en cognitief gebied als op fysiek gebied. Zij is niet in staat om de werkzaamheden in de voorgehouden functies te verrichten.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij overwogen dat zij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat appellante meer beperkingen heeft dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is vastgesteld. Noch de door appellante overgelegde informatie van de huisarts M.M. van der Leeuw-van Naamen van 9 december 2008, noch de rapportage van C.G.M. Warmerdam, revalidatiearts, van 8 januari 2009, noch de rapportage van dr. R. Ieven, neuropsychiater, van 2 december 2009 gaven de rechtbank aanleiding tot twijfel aan de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige voldoende heeft gemotiveerd waarom de belasting in de voorgehouden functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.
  6. In hoger beroep heeft appellante de in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald. Ter nadere onderbouwing heeft zij overgelegd de neuro-psychiatrische rapportage van dr. H.L.S.M. Busard, zenuwarts/psychiater, gedateerd 9 mei
  7. Busard heeft appellante onderzocht op 10 januari 2011 en als diagnoses gesteld: ongedifferentieerde somatoforme stoornis en gegeneraliseerde angststoornis. Busard komt vervolgens tot de conclusie dat een groter aantal beperkingen is te objectiveren dan aangenomen door het Uwv. Hij acht appellante noch op de datum in geding, noch ten tijde van de datum van zijn onderzoek, in staat fulltime of meer dan 26 uur per week te werken in reguliere arbeid, gelet op de sterk wisselende mogelijkheden van appellante tengevolge van de vele beperkingen welke met name ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren ernstig zijn onderschat door het Uwv. 4.
  8. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is tot twijfel aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts ten aanzien van de beperkingen van appellante op de datum in geding, 30 september 2008, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 augustus
  9. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft beperkingen aangenomen in verband met het chronisch vermoeidheidssyndroom, waaronder een urenbeperking tot 30 uur per week. Uit de voorhanden informatie van de behandelende sector valt niet op maken dat met deze beperkingen de belastbaarheid van appellante is onderschat. De brief van Ieven ziet niet op de datum in geding en voorts ontbreekt een medische onderbouwing voor zijn medisch oordeel. De informatie van de bedrijfsarts L.G.J. Vullings roept bij de Raad evenmin twijfel op aan de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts, nu de bedrijfsarts de aan te nemen urenbeperking(en) niet medisch heeft onderbouwd en bovendien als uitgangspunt het eigen werk van appellante heeft genomen. Dit betreft een geheel andere medische beoordeling dan de beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsarts in het kader van de Wet WIA. Ten aanzien van de rapportage van Busard is de Raad van oordeel dat diens conclusies niet voldoen aan de wettelijke maatstaven om te komen tot de vaststelling dat sprake is van beperkingen als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, verdergaand dan de in de FML van 13 augustus 2008 neergelegde beperkingen. De Raad heeft eerder in deze zin geoordeeld, bijvoorbeeld in zijn uitspraken van 1 juni 2011 (LJN BQ7860) en 30 maart 2007 (LJN BA2096). De Raad kan zich verenigen met het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 19 mei 2011 waarin deze aangeeft dat Busard geen valide onderbouwing geeft voor andere beperkingen dan reeds opgenomen in de FML nu door hem geen lichamelijk onderzoek is verricht en voorts de door hem aangegeven psychische beperkingen onvoldoende onderbouwd zijn nu hij niet de beschikking had over testresultaten ten aanzien van het cognitief functioneren van appellante. Voorts wijst de Raad erop dat Busard stelt dat appellante niet meer dan 26 uur per week arbeid kan verrichten, gezien ook de activiteiten die zij thuis uitvoert. Echter, werkzaamheden ten behoeve van de eigen huishouding spelen geen rol bij de beoordeling van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid in het kader van de Wet WIA. De door Busard vastgestelde urenbeperking is dus ook om deze reden niet aanvaardbaar. 4.
  10. Ten aanzien van de geschiktheid van de voorgehouden functies van machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122), huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) en huishoudelijk medewerker (SBC-code 111333) is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de arbeidsdeskundige bij aanvullende rapportage van 17 december 2008 afdoende heeft gemotiveerd waarom deze functies geschikt te achten zijn voor appellante. 4.
  11. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. 4.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli
  13. (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen. (get.) T.J. van der Torn. EV

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.