← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3073

09/2961 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2009, 07/2790 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 8 juli 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft L. van den Heuvel, juridisch adviseur bij Robidus Adviesgroep B.V., gevestigd te Zaandam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei

  1. Voor appellante is verschenen mr. B. van Bekkum, kantoorgenoot van L. van den Heuvel. Het Uwv was niet vertegenwoordigd. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. De voor de oordeelsvorming door de Raad van belang zijnde feiten en omstandigheden laten zich als volgt samenvatten. 1.
  3. [Werkneemster], is op 6 december 2001 uitgevallen voor haar werkzaamheden als secretaresse in dienst van appellante. Het Uwv heeft geweigerd werkneemster in aansluiting op de wettelijke wachttijd, met ingang van 5 december 2002, in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), daar zij voor de toepassing van de WAO niet in relevante mate arbeidsongeschikt werd geacht. 1.
  4. Daarbij is ervan uitgegaan dat werkneemster bij einde wachttijd weliswaar niet langer geschikt was voor haar maatgevende arbeid als secretaresse, maar nog wel in staat was met passende functies elders een zodanig loon te verwerven, dat zij ten opzichte van het maatgevende inkomen een loonverlies had van minder dan 15%. 1.
  5. Met ingang van 1 maart 2004 is de arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en appellante ontbonden. Werkneemster is vervolgens bij een andere werkgever in dienst getreden. Op 11 februari 2006 is zij voor haar werkzaamheden aldaar uitgevallen. 1.
  6. Bij besluit van 25 oktober 2006 heeft het Uwv met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onder b, van de WAO, werkneemster met ingang van 11 maart 2006 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Daarbij is door het Uwv tot uitgangspunt genomen dat de arbeidsongeschiktheid van werkneemster welke binnen vijf jaar na de in overweging 1.2 vermelde weigering is ingetreden, is voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak als die op grond waarvan zij na haar uitval op 6 december 2001 bij het einde van de wachttijd op 5 december 2002 ongeschikt was voor de door haar destijds in dienst van appellante verrichte werkzaamheden als secretaresse. 1.
  7. Bij besluit van 4 juni 2007 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij in haar hoedanigheid van eigen risicodrager zorg dient te dragen voor de betaling van de WAO-uitkering van werkneemster. 1.
  8. Bij besluit van 4 september 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 juni 2007 ongegrond verklaard. 2.
  9. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, in de eerste plaats overwogen dat, nu vaststaat dat aan werkneemster een WAO-uitkering is toegekend met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onder b, van de WAO, niet anders kan worden geconcludeerd dan dat appellante op grond van artikel 75a, eerste lid, onder c, van de WAO, zoals die bepaling ten tijde hier van belang luidde, het risico draagt voor de betaling daarvan. 2.
  10. Voorts heeft de rechtbank, ten aanzien van het beroep van appellante op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, overwogen dat het bestreden besluit strekt tot het opleggen van een betalingsverplichting aan appellante en dat uit rechtspraak van de Raad volgt dat in het kader van een procedure over zodanig besluit een beroep op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet kan slagen. Eerst in de fase van verhaal door het Uwv van de door het Uwv betaalde WAO-uitkering op de eigen risicodrager kunnen deze beginselen een rol spelen. 3.
  11. Onder verwijzing naar het namens appellante ingediende beroepschrift en het verhandelde ter zitting, stelt de Raad vast dat hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd, in het bijzonder neerkomt op een herhaling van de stelling dat het Uwv met het bestreden besluit de algemene begindelen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, met name het vertrouwensbeginsel. 3.
  12. Daarbij wijst appellante, samengevat weergegeven, erop dat werkneemster op 1 maart 2004, toen zij bij appellante uit dienst trad, niet meer arbeidsongeschikt was, zij (dan ook) niet stond vermeld op de - bij gelegenheid van het aangaan van het eigen risicodragerschap opgestelde - lijst met personen voor wier WAO-uitkering appellante (in de toekomst) verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden en, ten slotte, het Uwv in een soortgelijk geval van een andere werknemer heeft erkend dat sprake was van schending van het vertrouwensbeginsel. 3.
  13. De Raad overweegt, gelijk de rechtbank in de aangevallen uitspraak met juistheid heeft overwogen, dat het beroep van appellante op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel, niet kan slagen. 3.
  14. In zijn rechtspraak, onder meer in de in de aangevallen uitspraak genoemde uitspraken van 10 oktober 2006 en 16 januari 2009, LJN AZ0127 en BH0574, heeft de Raad als zijn opvatting neergelegd dat de beoordeling van de vraag of bij een betalingsbesluit als het onderhavige is voldaan aan de in artikel 75a, eerste tot en met derde lid, van de WAO gestelde voorwaarden, in de regel een beperkte strekking heeft, wat reeds maakt dat het in die beoordeling betrekken van feiten en omstandigheden die geen verband houden met deze uit hun aard op zichzelf te beschouwen voorwaarden niet in beeld komt. 3.
  15. In deze opvatting ligt besloten dat de volgens appellante bij het nemen van het bestreden besluit opgetreden schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals overigens blijkens het verhandelde ter zitting ook door appellante zelf is onderkend, eerst bij een - tot dusverre door het Uwv nog niet genomen - verhaalsbesluit aan de orde kan komen. 3.
  16. Voorts constateert de Raad dat gesteld noch gebleken is dat in dit geval niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor toepassing van artikel 75a, vierde lid, eerste volzin, van de WAO. In het bijzonder is niet gebleken dat zich een uitzonderingsgeval als bedoeld in het derde lid van artikel 75a WAO voordoet op grond waarvan de betalingsverplichting van appellante als eigen risicodrager is opgeheven en evenmin dat in het kader van de toerekening foutieve vaststellingen zijn gedaan. 3.
  17. Ten slotte overweegt de Raad dat hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak expliciet ten overvloede heeft overwogen in hoger beroep niet ter beoordeling door de Raad voorligt. 3.
  18. Hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.7 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de door de rechtbank ten overvloede gegeven overwegingen, dient te worden bevestigd.
  19. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juli
  20. (get.) J.W. Schuttel. (get.) J. van Dam. RK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.