← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BR3277

10/2937 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 april 2010, 09/1397 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenwijkerland (hierna: college) Datum uitspraak: 21 juli 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G. Wind, advocaat te Utrecht. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Kragten, juridisch adviseur en B.G.M. Heuver, werkzaam bij de gemeente Steenwijkerland. II. OVERWEGINGEN
  2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak en de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 juli 2007, 06/
  3. 1.
  4. Appellant was sinds 1991 werkzaam in het openbaar basis onderwijs te Blokzijl, thans gemeente Steenwijkerland. Nadat hij arbeidsongeschikt was geworden en aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering was toegekend (berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%) is per 1 december 2003 aan hem eervol ontslag verleend uit zijn functie van directeur van de openbare basisschool “[naam basisschool]”. Vervolgens is hij met ingang van 1 december 2003 voor 15 uur per week benoemd in vaste dienst als onderwijskundig medewerker en als zodanig gedetacheerd bij de Pabo “[naam Pabo]” te [vestigingsplaats]. Die detachering is per 1 augustus 2005 beëindigd, waarna appellant per 1 december 2005 ontslag werd verleend op grond van artikel 8:4, aanhef en eerste lid, (oud) van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Het besluit tot handhaving van dit ontslagbesluit is vernietigd door de rechtbank Zwolle-Lelystad bij de uitspraak genoemd onder 1, omdat, kort gezegd, onvoldoende zorgvuldig onderzoek was verricht naar herplaatsingsmogelijkheden van appellant. Het ontslagbesluit is herroepen. 1.
  5. Het college heeft in die uitspraak berust. In september 2007 is een aangepast plan van aanpak opgesteld, dat zag op eventuele herplaatsingsmogelijkheden binnen het ambtelijk apparaat, maar ook binnen het openbaar primair onderwijs binnen de gemeente, met dien verstande dat het plaatsingsonderzoek binnen het openbaar primair onderwijs in samenspraak met de bestuurscommissie openbaar primair onderwijs zou geschieden. Het herplaatsingsonderzoek heeft niet tot resultaat geleid. 1.
  6. Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het college aan appellant met ingang van 1 oktober 2008 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van de CAR/UWO, zoals die luidt sinds 1 juli
  7. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 juli 2009 (bestreden besluit).
  8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  9. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, naar voren gebracht dat ten onrechte het Sociaal Statuut van de gemeente Steenwijkerland dan wel het Sociaal plan vorming stafbureau OPO niet op hem van toepassing is geacht en voorts dat hij tekort is gedaan doordat de periode van re-integratie geen 15 maanden heeft geduurd, waarmee in strijd is gehandeld met artikel 10d:5 van de CAR/UWO. Het college heeft een en ander gemotiveerd weersproken.
  10. Naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep naar voren is gebracht, overweegt de Raad als volgt. 4.
  11. Vast staat dat de functie van appellant van onderwijskundig medewerker is opgeheven. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Het geschil draait vooral om de vraag of het verrichte herplaatsings- dan wel re-integratieonderzoek dit maal wel voldoende zorgvuldig en in overeenstemming met de voorschriften is uitgevoerd. 4.
  12. Het Sociaal Statuut van de gemeente Steenwijkerland van 6 december 2005 is niet van toepassing op appellant. Hij is immers niet ontslagen wegens een organisatie-wijziging of een publiekrechtelijke taakoverheveling. In zijn geval was sprake van een bijzondere situatie, samenhangend met zijn eerder ingetreden arbeidsongeschiktheid, waarbij er een einde kwam aan zijn detachering. Het college kon in zijn geval in redelijkheid kiezen voor individueel maatwerk. 4.
  13. Naar het oordeel van de Raad viel appellant evenmin onder het Sociaal plan vorming stafbureau OPO. Dit Sociaal plan is opgesteld ten behoeve van de overdracht van de werkzaamheden van de onderwijsmedewerkers van de gemeenten Steenwijkerland en Zwartewaterland naar een nieuw Stafbureau, waarbij die medewerkers overgingen naar een privaatrechtelijke stichting per 1 januari
  14. Appellant verrichtte destijds geen taken als onderwijsmedewerker voor de gemeente Steenwijkerland. Zijn ontslag per 1 december 2005 was weliswaar herroepen, zodat zijn aanstelling als onderwijskundig medewerker formeel was herleefd, maar het staat vast - appellant heeft dat ter zitting ook erkend - dat hij (sedertdien) nimmer onderwijskundige taken ten behoeve van de gemeente heeft verricht. Er gingen dus ook geen taken van hem over naar de stichting. 4.
  15. Ingevolge artikel 8:3, eerste lid, van de CAR/UWO kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking. In artikel 10d:5, eerste lid, van de CAR/UWO is bepaald dat de ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:3 recht heeft op een re-integratiefase. De re-integratiefase is, volgens het vierde lid, afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente, tot de datum van de start van de re-integratiefase. Volgens het vijfde lid duurt de re-integratiefase 7 maanden bij een dienstverband van 2 tot 10 jaar, 11 maanden bij een dienstverband van 10 tot 15 jaar en 15 maanden bij een dienstverband van 15 jaar of meer. De re-integratiefase begint met het ontslagbesluit en de ontslagdatum is de dag na afloop van de re-integratiefase. 4.5.
  16. Appellant meent recht te hebben op een re-integratiefase van 15 maanden. Aangezien het plan van aanpak dateert van september 2007 en het onderzoek heeft geduurd tot juni 2008 is niet aan die eis voldaan. Het college vindt dat appellant slechts recht heeft op een re-integratiefase van 7 maanden, omdat zijn aanstelling op grond van de CAR/UWO dateert uit
  17. 4.5.
  18. De Raad volgt hierin appellant. Nu de duur van de re-integratiefase afhankelijk is gesteld van de duur van het dienstverband bij de gemeente, ziet de Raad niet in dat geen rekening zou moeten worden gehouden met de periode vanaf 1991, in welke periode appellant eveneens in dienst was van de (fusie)gemeente Brederwiede, nadien onderdeel van Steenwijkerland. Dat op appellants dienstverband destijds de bepalingen van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel van toepassing waren, en niet die van de CAR/UWO, maakt dat niet anders. Het dienstverband als zodanig is volgens de bewoordingen van artikel 10d:5, vierde lid, van de CAR/UWO doorslaggevend. De Raad ziet er niet aan voorbij dat appellant in 2003 ontslag is verleend, welk ontslag formeel gezien leidde tot beëindiging van het bestaande dienstverband, maar appellant is per diezelfde datum weer aangesteld bij de gemeente. Op die wijze, zo is namens het college toegelicht, kwam er een formatieplaats vrij voor een nieuw aan te stellen directeur van de basisschool “[naam basisschool]”. Die gang van zaken mag naar het oordeel van de Raad, in het licht van genoemde bepaling, niet ten nadele van appellant uitpakken. Hieruit volgt dat appellant in principe recht had op een re-integratiefase van 15 maanden. 4.
  19. Aangezien de genoemde bepalingen van de CAR/UWO per 1 juli 2008 in werking zijn getreden was sprake van een overgangssituatie. Uit de ledenbrief van het LOGA van 27 juni 2008 (Lbr.08/117 CvA/LOGA 08/24) blijkt dat gesproken is over ontslagtrajecten die zijn aangevangen vóór 1 juli 2008, maar waarbij een beoogde ontslagdatum op of na die datum ligt. Opgemerkt is dat het voor de hand ligt om de tijd die vóór 1 juli 2008 al aantoonbaar aan re-integratieactiviteiten is besteed, mee te tellen bij de duur van de re-integratiefase, zoals deze na 1 juli 2008 geldt. Het college heeft daaraan toepassing gegeven. 4.
  20. Anders dan appellant acht de Raad het door het college uitgevoerde onderzoek niet onzorgvuldig of onvoldoende. Uit de verslaglegging van de besprekingen die met appellant zijn gevoerd over de voortgang van het herplaatsingsonderzoek komt naar voren dat van de zijde van de gemeente veel inspanningen zijn verricht om te komen tot een plaatsing van appellant, die gezien zijn omstandigheden niet gemakkelijk bemiddelbaar was. Er is een arbeidskundig (inclusief psychologisch loopbaan-)onderzoek verricht en er zijn contacten onderhouden met de bestuurscommissie openbaar primair onderwijs, teneinde op de hoogte te blijven van vacatures op scholen die ressorteren onder het bevoegd gezag van die commissie. Er is meegewerkt aan een detachering bij de gemeente Westerveld en er is een arbeidsre-integratiespecialist ingeschakeld om appellant te begeleiden naar een betrekking buiten de gemeente. Ook appellant heeft zich actief opgesteld. Zo heeft appellant gesolliciteerd op diverse functies en heeft hij vanaf oktober 2007 voor 8 uur per week een functie gevonden als groepsleerkracht bij basisschool de Heidehoek te Vledderveen. Niettemin is het niet gelukt appellant definitief te herplaatsen of een functie te vinden buiten de gemeente. Hoe teleurstellend dit ook is voor appellant, daarvan kan het college, naar het oordeel van de Raad, geen verwijt worden gemaakt. 4.
  21. In het licht van hetgeen in 4.6 en 4.7 is overwogen en mede in aanmerking genomen dat in een eerder stadium al gedurende een aantal maanden is getracht appellant te herplaatsen komt de Raad tot het oordeel dat een voldoende ruime re-integratiefase in acht is genomen.
  22. Het hoger beroep kan dus niet slagen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  23. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en H.C.P Venema en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli
  24. (get.) K. Zeilemaker. (get.) K. Moaddine. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.