10/3697 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 31 mei 2010, 09/1919 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Datum uitspraak: 27 juli 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli
- Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk. II. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 8 februari 2008 is na een onderbreking wegens ziekte de aan appellant toegekende uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) voortgezet met ingang van 23 januari
- 1.
- Bij besluit van 27 mei 2009 is appellant meegedeeld dat de zogenoemde loongerelateerde WW-uitkering afloopt op 21 juni
- Tevens is hem kenbaar gemaakt dat hij over de periode van 22 juni 2009 tot en met 21 juni 2011 recht heeft op een vervolguitkering. Daarbij is bepaald dat de hoogte van de vervolguitkering 70% van het miminumloon per dag bedraagt, hetgeen neerkomt op een uitkering van € 48,01 per dag. Bij besluit van 15 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 mei 2009 ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ter zitting heeft appellant bevestigd dat hij niet langer betwist dat het Uwv bij het bestreden besluit de einddatum van de loongerelateerde uitkering juist heeft vastgesteld. 4.
- Voor zover appellant heeft beoogd aan te voeren dat hij sinds 22 juni 2009 een te lage uitkering ontving, wijst de Raad erop dat op grond van artikel 51, eerste lid, van de WW, zoals deze bepaling ten tijde hier van belang luidde, de vervolguitkering per dag 70% van het minimumloon bedraagt. Het Uwv heeft de hoogte van de vervolguitkering juist vastgesteld. 4.
- Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, tast de juistheid van het bestreden besluit niet aan. 4.
- Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli
- (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) M.A. van Amerongen. EV