09/6750 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2009, 09/928 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene), en appellant. Aan dit het geding heeft tevens als partij deelgenomen [naam werkneemster], wonende te [woonplaats] (hierna: werkneemster). Datum uitspraak: 27 juli 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. G. Bloem, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend. Bij brief van 14 april 2010 heeft mr. M.A. Breewel-Witteveen, advocaat te Roosendaal, namens de werkneemster een reactie ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni
- Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens. Betrokkene is verschenen bij mr. Bloem, bijgestaan door T. [D.]. De werkneemster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Breewel-Witteveen. II. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 23 juli 2008 heeft appellant het tijdvak van 104 weken waarover de werkneemster jegens betrokkene recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken verlengd. Appellant heeft deze verlenging (ook aangeduid als: de loonsanctie) opgelegd, omdat betrokkene niet heeft voldaan aan haar re-integratie-plichten. Voor dit verzuim ontbreekt volgens appellant een deugdelijke grond. Hierbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, in samenhang met artikel 65, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). 1.
- Bij besluit van 19 februari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts P. van Thillo-Nadels van 16 februari 2009 en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.A.M.H. Heijmans van 18 februari 2009, het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen over het griffierecht en de proceskosten - het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 23 juli 2008 herroepen en tevens bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat appellant eerst een werkplekonderzoek had moeten verrichten alvorens de conclusie kon worden getrokken dat de werkneemster voltijds in haar normale dienstverband bij betrokkene kon terugkeren. Betrokkene had namelijk deze, reeds bij het besluit van 23 juli 2008 door appellant getrokken conclusie, bestreden en daartoe aangevoerd dat de werkneemster na werkhervatting telkens uitviel en dat in bepaalde periodes een werkweek van vier uur zelfs onhaalbaar leek te zijn. Deze visie had betrokkene onderbouwd met rapporten van haar arbodienst, met name de rapporten van de arbeidsdeskundige R. Hoetmer van 4 en 19 april
- Voorts heeft de rechtbank bij haar overwegingen betrokken dat de werkneemster zelf had aangegeven dat de (klimatologische) arbeidsomstandigheden op haar werkplek een nadelige invloed hadden op haar lichamelijke en psychische klachten. Ten overvloede heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de rapportages van de arbodienst, mede bezien in het licht van de regelmatige ziekte-uitval na werkhervatting, betwijfeld kan worden of de werkneemster in staat was in haar normale dienstverband bij betrokkene te werken.
- In hoger beroep heeft appellant gewezen op de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering, in het bijzonder op de ter zake uitgebrachte medische en arbeidskundige rapporten, en betwist dat betrokkene voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Betrokkene heeft in het eerste spoor op basis van onjuiste argumenten onvoldoende activiteiten ontplooid, zonder dat daarvoor een deugdelijke grond aanwezig was. De werkneemster werkte voor haar uitval op 14 augustus 2006 als administratief medewerkster gedurende 16,5 uur per week en vervulde haar functie sinds begin 2008 gedurende slechts 2 x 2 uur per week. De bedrijfsarts heeft zich echter zonder deugdelijke medische onderbouwing op het standpunt gesteld dat er voor de werkneemster geen uitbreiding van de werkuren mogelijk was. Betrokkene heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij als werkgever van het medisch oordeel van de bedrijfsarts mocht uitgaan. Voor zover betrokkene heeft aangevoerd dat de werkneemster haar werk niet kon hervatten vanwege de klimatologische omstandigheden op de werkplek, had het op de weg van betrokkene gelegen hiervoor een adequate oplossing te creëren, dan wel, indien dit niet tot de mogelijkheden behoorde, anderszins naar passende arbeid voor de werkneemster uit te zien. Een onderzoek naar de werkplek van de werkneemster zoals de rechtbank dat heeft verlangd, acht appellant niet aangewezen. Naar de mening van appellant heeft de rechtbank de rol van appellant als poortwachter miskend. Het is niet de taak van appellant de inspanningen van een werkgever te toetsen door een volledig medisch en arbeidskundig onderzoek in te stellen. De taak van appellant bestaat eruit om aan de hand van de rapportages van de werkgever vast te stellen of een juiste waardering aan de belastbaarheid van een werknemer is toegekend en of de werknemer met deze belastbaarheid in voldoende mate gere-integreerd is.
- Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en gewezen op hetgeen zij eerder naar voren heeft gebracht in bezwaar en beroep. De uitgebrachte adviezen van haar bedrijfsarts en arbeidsdeskundige gaven geen enkele reden tot twijfel. Naar haar mening heeft zij voldoende re-integratie-inspanningen verricht, zodat haar geen loonsanctie mocht worden opgelegd. 5.
- De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 5.
- In geschil is of appellant terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Het geschil is in dat verband toegespitst op de vraag of appellant zich op basis van een toereikende grondslag op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen van betrokkene als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, omdat betrokkene onvoldoende re-integratieactiviteiten heeft verricht via het eerste spoor. 5.
- Voor zover betrokkene het standpunt heeft ingenomen dat zij steeds de adviezen van de door haar, via de arbodienst, ingeschakelde bedrijfsarts en arbeidskundige heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin is geoordeeld dat appellant er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever is gelegen. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding ten aanzien van betrokkene tot een andersluidend oordeel te komen. 5.
- Het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de rapporten van de verzekeringsarts van 11 december 2008, van de arbeidsdeskundige van 18 juli 2008 en 15 december 2008, van de bezwaarverzekeringsarts van 16 februari 2009 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 februari
- Geconcludeerd is dat betrokkene, die werd ondersteund door haar arbodienst, niet aannemelijk heeft gemaakt, dan wel in onvoldoende mate onderbouwd, dat de werkneemster niet in staat was meer dan 2 x 2 uur per week werkzaamheden te verrichten. Op grond van de gegevens waarover betrokkene en haar arbodienst beschikten en voorts de eigen onderzoeken van de werkneemster door de verzekeringsartsen is vastgesteld dat de werkneemster in staat was tot het verrichten van arbeid gedurende een werkweek in de voor haar geldende omvang van 16,5 uur per week. 5.
- De Raad is tot het oordeel gekomen dat appellant terecht de conclusie heeft getrokken dat betrokkene tijdens de wachttijd te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in die periode reeds wat betreft het eerste spoor onvoldoende zijn gebleven. De werkneemster was voor haar uitval 16,5 uur per week werkzaam. Ten onrechte heeft betrokkene op basis van het standpunt van de bedrijfsarts, zoals dat onder andere blijkt uit de (bijgestelde) probleemanalyse van 2 januari 2008 en het actueel oordeel van 21 april 2008, aangenomen dat de werkneemster niet meer dan 2 x 2 uur per week kon werken. De bedrijfsarts heeft niet medisch objectief onderbouwd dat er sprake was van een dergelijke situatie. Betrokkene heeft geen nieuwe medische informatie ingebracht die de Raad doen twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen. In dit verband wijst de Raad er voorts op dat de arbeidsdeskundige Hoetmer in haar aan betrokkene uitgebrachte rapporten van 4 en 19 april 2008 het eigen werk van de werkneemster als passend heeft beschouwd met een zorgvuldige opbouw van uren en taken. Gezien de tijd die de werkneemster niet heeft gewerkt en gelet op het feit dat zij niet terug wil naar haar eigen werkplek, is aanbevolen een coach/begeleider in te zetten om haar te ondersteunen bij de terugkeer naar haar eigen werkplek. Ander werk bij betrokkene bood volgens Hoetmer niet de nodige passendheid voor de werkneemster. Tevens heeft deze arbeidsdeskundige betrokkene geadviseerd om te streven naar een werkhervatting van tenminste 65% van de loonwaarde vóór het einde van de wachttijd. Indien de urenopbouw evenwel achter zou blijven, dan diende er volgens Hoetmer direct te worden gestart met het tweede spoor. De werkneemster heeft destijds gesteld dat zij haar werkzaamheden in de voor haar normale omvang wilde hervatten, maar dat de airconditioner die boven haar werkplek is aangebracht aanvallen uitlokt, omdat zij de ziekte van Raynaud heeft. Dit zou volgens de werkneemster een uitbreiding van haar werkuren naar 16,5 belemmeren. Ondanks deze gegevens heeft betrokkene nagelaten tijdig en concreet activiteiten te ontplooien om zonodig aan de door de werkneemster geuite klachten over de klimatologische omstandigheden tegemoet te komen, dan wel de werkneemster elders te laten hervatten in passende arbeid. Activiteiten via het tweede spoor, zoals de arbeidsdeskundige Hoetmer ook had geadviseerd, zijn voor het einde van de wachttijd niet gestart. Voor het instellen van een arbeidskundig onderzoek naar de eigen werkplek van de werkneemster als door de rechtbank noodzakelijk geacht, is naar het oordeel van de Raad onder de gegeven omstandigheden geen grond aanwezig. 5.
- De Raad onderschrijft tevens de conclusie van appellant dat betrokkene voor haar tekortkomingen op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad. 5.
- Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.6 is overwogen, volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep ongegrond.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) M.A. van Amerongen. RK