10/5545 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2010, 09/2846 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris) Datum uitspraak: 28 juli 2011 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni
- Appellante is niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Scheffer, werkzaam bij de Belastingdienst. II. OVERWEGINGEN
- Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante is sinds 1 januari 2000 werkzaam bij de Belastingdienst als administratief medewerker Invordering. Met ingang van 1 augustus 2001 is zij aangesteld voor onbepaalde tijd. Met ingang van 1 oktober 2007 is zij aangesteld voor 12 uur per week. 1.
- Op 12 juni 2008 heeft appellante zich ziek gemeld. Op 26 juni 2008 heeft zij haar leidinggevende te kennen gegeven langere tijd met verlof te willen. Omdat appellante een negatief verlofsaldo bleek te hebben, is zij in de gelegenheid gesteld om via IKAP verlofuren te kopen. Op 30 juni 2008 is appellante door de bedrijfsarts arbeidsgeschikt verklaard. Dezelfde dag is het verlof, dat op 16 juli 2008 zou eindigen, ingegaan. 1.
- Op 16 juli 2008 heeft de partner van appellante telefonisch laten weten dat appellante ziek is, dat zij in Marokko verblijft en dat een fax zou volgen. Op 29 juli 2008 heeft de leidinggevende van appellante het huisadres van appellante bezocht, maar daar niemand aangetroffen. Appellante is vervolgens schriftelijk verzocht om uiterlijk 31 juli 2008 contact op te nemen met haar leidinggevende. Aangegeven is dat wanneer geen contact wordt opgenomen, dit het stopzetten van het salaris tot gevolg heeft. Op 31 juli 2008 heeft de partner van appellante opnieuw telefonisch contact opgenomen. Appellante zou nog steeds ziek zijn en in Marokko verblijven. 1.
- Bij besluit van 8 augustus 2008 heeft de staatssecretaris de aanspraken op bezoldiging van appellante per 1 augustus 2008 met toepassing van artikel 40a, eerste lid, aanhef en onder j, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) tot nader order vervallen verklaard, omdat zij zich niet gehouden heeft aan de geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure. Appellante heeft hierop op 11 augustus 2008 telefonisch gereageerd. 1.
- Appellante is op 12 augustus 2008 zonder bericht niet op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen, waarvoor zij was uitgenodigd. Ook heeft zij niet gereageerd op de brief van haar werkgever om de reden van haar afwezigheid mede te delen. Bij brief van 21 augustus 2008 heeft de staatssecretaris, in aanvulling op het besluit van 8 augustus 2008, vastgesteld dat tevens sprake is van een situatie waarbij appellante de werkgever de mogelijkheid onthoudt om haar arbeidsgeschiktheid te beoordelen, hetgeen een grond is voor het inhouden van de bezoldiging. 1.
- Op 28 augustus 2008 is appellante op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen. Aldaar heeft zij een verklaring van een Marokkaanse medisch specialist overgelegd, waarin haar drie weken rust is voorgeschreven. Bij brief van 4 september 2008 is appellante uitgenodigd voor een gesprek op 9 september 2008 met onder anderen haar leidinggevende. Zij is zonder bericht niet verschenen. Vervolgens is appellante bij brief van 10 september opgedragen om te verschijnen voor een gesprek op 18 september
- Appellante is op dit gesprek verschenen. Bij besluit van 18 september 2008 is appellante te kennen gegeven dat zij, nu zij op dit gesprek is verschenen, per 18 september 2008 op grond van artikel 40a, derde lid, van het ARAR weer haar volledige bezoldiging zal ontvangen. Appellante heeft tegen de besluiten van 8 augustus en 18 september 2008 bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn bij het bestreden besluit van 26 mei 2009 ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt. 3.
- Het stopzetten van de bezoldiging. 3.1.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellante zich niet gehouden heeft aan de ten aanzien van haar geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure. Niet alleen heeft appellante zich niet persoonlijk ziek gemeld bij haar leidinggevende, ook was zij niet aanwezig op het bij haar werkgever bekende adres en heeft zij haar ziekteadres in Marokko niet kenbaar gemaakt. Bovendien was zij (telefonisch) onbereikbaar. Hoewel appellante bij de bedrijfsarts een verklaring heeft overgelegd van een specialist uit Marokko welke inhoudt dat zij ziek was en rust moest houden, biedt deze verklaring onvoldoende onderbouwing voor het standpunt dat zij te ziek was om persoonlijk contact te hebben met haar leidinggevende. Dit klemt te meer nu zij hiertoe op 11 augustus 2008, na het inhouden van de bezoldiging, wel in staat was. Nog daargelaten dat appellante om onbekend gebleven redenen heeft nagelaten om op 12 augustus 2008 op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen, heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de Raad op goede gronden besloten de bezoldiging van appellante met toepassing van artikel 40a, eerste lid, aanhef en onder j, van het ARAR per 1 augustus 2008 stop te zetten. 3.
- Het laten herleven van de bezoldiging. 3.2.
- Appellante is op 28 augustus 2008 alsnog op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen. Zij heeft hiermee gevolg gegeven aan één van de voorschriften van het Protocol Ziekteverzuim. Zij heeft echter eerst op 18 september 2008 gevolg gegeven aan de - eveneens in het Protocol Ziekteverzuim omschreven - verplichting bereikbaar te zijn voor haar werkgever. Eerder had zij geen contact opgenomen, noch gehoor gegeven aan de uitnodiging voor een gesprek met haar leidinggevende. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat appellante eerst op 18 september 2008 gevolg heeft gegeven aan de verplichting om voor de werkgever bereikbaar te zijn tijdens ziekte zodat zij op grond van artikel 40a, derde lid en eerste lid, aanhef en onder j, van het ARAR eerst per die datum in aanmerking komt voor haar volledige bezoldiging.
- Gelet op het hiervoor overwogene slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli
- (get.) J.Th. Wolleswinkel. (get.) R. Scheffer.