← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4906

10/3575 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 mei 2010, 09/285 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris) Datum uitspraak: 11 augustus 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.C.W.C. van Zon, werkzaam bij Abvakabo FNV. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J.M. Oenema en J.J.M. Vasen, beiden werkzaam bij het ministerie van Financiën. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant, geboren in 1955, is sinds 1 maart 2002 werkzaam als ambtenaar bij de Belastingdienst/FIOD-ECD in de functie van medewerker opsporing. 1.
  4. Bij brief van 18 februari 2008 heeft appellant verzocht om in aanmerking te komen voor de toepassing van het Besluit overgangsrecht FLO-functies. 1.
  5. Bij besluit van 19 mei 2008 heeft de staatssecretaris het verzoek van appellant afgewezen. 1.
  6. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 12 december 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
  7. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant in de periode van 1 maart 2002 tot 1 juli 2003 geen substantieel bezwarende functie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Besluit aanmerking substantieel bezwarende functies (hierna: Besluit bezwarende functies) vervulde, zodat hij niet in aanmerking komt voor toepassing van het Besluit overgangsrecht FLO-functies.
  8. De Raad overweegt als volgt. 3.
  9. De Raad onderschrijft het oordeel waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen en hij verenigt zich met de overwegingen van die uitspraak en maakt die tot de zijne. Hij voegt daaraan nog het volgende toe. Appellant heeft over de hem opgedragen werkzaamheden aangevoerd dat hij zich, naast het opsporen van fiscalefraude en douanefraude, tevens (veelvuldig) heeft beziggehouden met onderzoeken inzake economische fraude. Voorts heeft appellant, onder overlegging van overzichten over 2002 en 2003, aangegeven dat zijn werkzaamheden vergelijkbaar waren met werkzaamheden welke waren gericht op het opsporen van economische fraude. Anders dan appellant denkt, betekent dit niet dat hij voldeed aan het hier geldende criterium dat hij belast moet zijn met hetzelfde complex van werkzaamheden dat voorkwam bij de Internationaal Economische Recherche (hierna: IER) van de ECD, zodat het besluit om appellant niet in aanmerking te brengen voor toepassing van het Besluit overgangsrecht FLO-functies op goede gronden berust. 3.
  10. Daarnaast onderschrijft de Raad uitdrukkelijk het oordeel van de rechtbank dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Er is immers sprake van een rechtens relevant verschil tussen appellant en de door hem genoemde collega’s Van de [K.], [K.] en [B.]. Laatstgenoemden waren, anders dan appellant, wel werkzaam in een van de teams Toezicht, Opsporing Goederen of Opsporing Financieel, in welke teams de taken en functies van de hoofdafdeling IER van de ECD binnen de Belastingdienst/FIOD-ECD zijn belegd.
  11. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  12. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus
  13. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) B. Bekkers. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.