10/1263 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K Als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker), van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 juni 2009 (08/306 ZW), in het geding in hoger beroep tussen: verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 augustus 2011 I. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 10 juni 2009, 08/
- Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli
- Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Schuyt. II. OVERWEGINGEN
- Op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vòòr de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vòòr de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn,en c. waren zij bij de Raad eerder bekend, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
- Verzoeker heeft in zijn verzoek gesteld dat gebleken is dat zijn zaak jarenlang, ten onrechte, slecht vertegenwoordigd is door een onbevoegde gemachtigde die geen advocaat of meester in de rechten is en dat hij inmiddels een klacht heeft ingediend bij de Deken der orde van advocaten tegen deze persoon en het advocatenkantoor waar deze persoon werkzaam was. 3.
- In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd heeft de Raad geen feiten of omstandigheden kunnen ontdekken die voldoen aan de hiervoor onder 1 genoemde voorwaarden a tot en met c van artikel 8:88 van de Awb. Dit artikel ziet op feiten en of omstandigheden die betrekking hebben op de inhoud van het geschil. De vraag of iemand al dan niet bevoegd door iemand is bijgestaan valt daar niet onder. Dit komt geheel voor eigen risico en rekening van verzoeker, nog afgezien van het feit dat in het bestuursrecht geen sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging. 3.
- Voor zover verzoeker heeft bedoeld aan te geven dat met een andere, wel bevoegde (of meer deskundige) gemachtigde, betere argumenten naar voren gebracht zouden zijn die de Raad mogelijk tot een ander oordeel gebracht zou hebben, wijst de Raad er op dat volgens vaste jurisprudentie – zie de uitspraak van de Raad van 3 oktober 2003, LJN AN7982 – het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
- Uit hetgeen onder 3.1 en 3.2 is overwogen volgt dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING. De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus
- (get.) J. Riphagen. (get.) T. Dolderman. RK