← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5884

11/1299 WSF Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2011, 10/1974 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister). Datum uitspraak: 26 augustus 2011 I. PROCESVERLOOP In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep). Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep. Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. De Minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli

  1. Appellante was vertegenwoordigd door mr. Willering en de Minister door mr. P.E. Merema. II. OVERWEGINGEN
  2. De Minister heeft bij besluit van 23 december 2009 het door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het Bericht Studiefinanciering 2009, nr. 12 van 25 september 2009 - waartegen het bezwaar zich richt - geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
  3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 23 december 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 september 2009 alsnog ongegrond verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar, een en ander met bijkomende beslissingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten. Hiertoe heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - overwogen dat het besluit van 23 december 2009 juist was, behoudens voor zover dat besluit zag op de maand september
  4. Appellante heeft in hoger beroep gronden aangevoerd die ook reeds in beroep zijn aangevoerd en door de rechtbank zijn besproken. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting van de Raad aangegeven geen contact met zijn client te kunnen krijgen en geen nadere argumenten te hebben waarom het oordeel van de rechtbank onjuist is.
  5. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde gronden van appellante op juiste wijze besproken en genoegzaam gemotiveerd tot welk oordeel deze gronden leiden. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.
  6. Het hoger beroep van appellante treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus
  8. (get.) J. Brand. (get.) R.L. Venneman. NW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.