10/1174 WAO + 10/6959 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2010, 09/1168 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 2 september 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft op 21 december 2010 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Bij brief van 24 december 2010 heeft de Raad besloten tevens een oordeel te geven over het besluit van 21 december
- Deze zaak is geregistreerd onder nummer 10/6959 WAO. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 januari
- Namens appellant is verschenen mr. de Roy van Zuydewijn en namens het Uwv mr. M. Sluijs. Na het onderzoek ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en het Uwv nadere vragen voorgelegd. Het Uwv heeft op 26 mei 2011 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Bij brief van 30 mei 2011 is namens appellant verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten en de wettelijke rente. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten. II. OVERWEGINGEN Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 26 mei 2011 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Appellant heeft de Raad bericht dat hij zich met de nieuwe beslissing op bezwaar van 26 mei 2011 kan verenigen en verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten en wettelijke rente. Nu er tussen partijen geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De Raad wijst het verzoek van appellant toe om het Uwv te veroordelen in de vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, gepubliceerd in JB 1995,
- De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op een bedrag van € 644,- in beroep en op een bedrag van € 874,- in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk; Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente als hiervoor is aangegeven; Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1518,--. Bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september
- (get.) M.M. van der Kade. (get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen. NW