← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6698

10/6308 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 oktober 2010, 10/2129 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 2 september 2011 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli

  1. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante heeft vanaf 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen. In 2005 is de uitkering ingetrokken. Zij heeft bij het Uwv melding gedaan van een verslechterde gezondheid. Appellante is onderzocht op het spreekuur van de verzekeringsarts van 15 mei
  3. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante per einde wachttijd (11 augustus 2006) toegenomen beperkingen heeft. Op de datum van het onderzoek is de belastbaarheid weer toegenomen, tot globaal het niveau ten tijde van de beoordeling in
  4. De verzekeringsarts heeft de beperkingen weergegeven op de per 15 mei 2009 geldende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat het verlies aan verdiencapaciteit (op de datum van het onderzoek) ruim 3% bedraagt. Op grond van een zogeheten Amber-bepaling is appellante met ingang van 14 december 2007 een uitkering toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 28 augustus 2009 is de uitkering met ingang van 29 oktober 2009 ingetrokken. 1.
  5. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen reden is het besluit van 28 augustus 2009 in medisch opzicht onjuist te achten. Bij de vaststelling van de beperkingen is rekening gehouden met de pijnklachten van appellante, waaronder klachten aan nek en schouders, lage rugklachten, bovenbeenklachten, heupklachten en klachten van het stuitje. De beperkingen zijn zo vastgesteld dat gezondheidsschade wordt vermeden. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat appellante, ondanks de klachten van het stuitje, in staat is te achten tot aaneengesloten zitten en zitten tijdens het werk, waarbij het zitten in ieder geval elk uur kan worden onderbroken. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen. Het verlies aan verdiencapaciteit heeft de bezwaararbeidsdeskundige vastgesteld op 0%. Bij besluit van 3 november 2009, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar ongegrond verklaard.
  6. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Aangenomen moet worden dat de verzekeringsartsen niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Overwogen is dat de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam heeft gemotiveerd dat rekening is gehouden met de objectiveerbare medische afwijkingen en dat de op basis daarvan aangenomen beperkingen niet hoeven overeen te komen met de door appellante subjectief ervaren beperkingen. Rekening is gehouden met de pijnmedicatie. Appellante kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gevolgd in haar stelling dat de bezwaarverzekeringsarts lichamelijk onderzoek had moeten verrichten. De verzekeringsarts heeft in zijn beoordeling rekening gehouden met de fysieke status van appellante na het staken van de pijnbestrijding. Appellante heeft niet aangegeven met welke specifieke klachten of beperkingen, die het gevolg zijn van het staken van de pijnbestrijding, geen rekening zou zijn gehouden. Voorts is in de aangevallen uitspraak verwezen naar de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige bij de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid. De rechtbank is ervan overtuigd dat de belastbaarheid in de geselecteerde functies niet is overschreden. 3.
  7. Appellante houdt in hoger beroep het standpunt staande dat onvoldoende beperkingen zijn vastgesteld. Appellante wijst er andermaal op dat het onderzoek van de verzekeringsarts in mei 2009 net drie weken na een pijnbestrijdingsbehandeling heeft plaatsgevonden en dat de pijnbestrijdingsbehandelingen daarna niet meer zijn hervat, vanwege de bijwerkingen die zij daarvan ondervindt. De bijwerkingen betreffen onder andere buikklachten, een spastische darm en obstipatie. Voorts heeft appellante aangegeven dat haar rugklachten zijn verergerd doordat zij op 22 juni een auto-ongeval heeft gehad waarbij zij van achteren werd aangereden. 3.
  8. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de beperkingen op juiste wijze in de FML zijn weergegeven. De bezwaarverzekeringsarts heeft toegelicht dat de darmklachten niet leiden tot het aannemen van meer beperkingen.
  9. De Raad overweegt als volgt. 4.
  10. De Raad verenigt zich met de aangevallen uitspraak. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is en er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Wat betreft het effect op de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van het staken van de pijnbestrijdingsbehandeling kan de Raad zich geheel vinden in hetgeen daaromtrent in de aangevallen uitspraak is overwogen. 4.
  11. In de door appellante genoemde bijwerkingen, ziet de Raad evenmin aanleiding te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid. De bijwerkingen waren al in de bezwaarfase bekend en leiden volgens de bezwaarverzekeringsarts niet tot het aannemen van meer beperkingen. Appellante heeft geen - medische - informatie overgelegd die haar zienswijze ondersteunt. 4.
  12. Hetgeen appellante in haar aanvullend beroepschrift heeft aangevoerd ten aanzien van de toename van rugklachten in verband met een aanrijding op 22 juni, leidt niet tot een ander oordeel. Niet gebleken is dat de aanrijding en toename van de rugklachten, die daarvan beweerdelijk het gevolg is, hebben plaatsgevonden vóór de datum die hier in geding is, 29 oktober
  13. Appellante heeft niet toegelicht in welk jaar de aanrijding heeft plaatsgevonden, maar de Raad houdt het, gezien de datum van het aanvullend beroepschrift, voor aannemelijk dat appellante doelt op een aanrijding die op 22 juni 2010 heeft plaatsgevonden. 4.
  14. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de belasting in de functies de vastgestelde belastbaarheid niet overschrijdt. De bezwaararbeidsdeskundige - zo constateert de Raad in navolging van de rechtbank - heeft de signaleringen die bij de geselecteerde functies zijn gepresenteerd van een toereikende motivering voorzien.
  15. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  16. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september
  17. (get.) J.W. Schuttel. (get.) H.L. Schoor. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.