← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2011:BR7059

10/297 WWB 11/3759 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (hierna: appellanten), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 december 2009, 09/2485 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene] (hierna: betrokkene) en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (hierna: College) Datum uitspraak: 7 september 2011 I. PROCESVERLOOP Namens betrokkene heeft mr. Th.T.M. van Hemert, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Mr. Van Hemert heeft bij fax van 24 januari 2011 de Raad bericht dat betrokkene is overleden en de Raad laten weten dat hij het geding namens appellanten wenst voort te zetten. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari

  1. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Groenewegen, werkzaam bij de gemeente Leiden. Na een tussenuitspraak van de Raad van 8 maart 2011, LJN BP7880, heeft het College op 10 mei 2011, nader aangevuld op 20 juni 2011, een nieuw besluit op bezwaar genomen. Bij brief van 18 juli 2011 heeft mr. Van Hemert namens appellanten zijn zienswijze over dit besluit naar voren gebracht. De meervoudige kamer van de Raad heeft besloten de zaak te verwijzen naar een enkelvoudige kamer van de Raad. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting. II. OVERWEGINGEN
  2. De Raad verwijst voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat naar zijn tussenuitspraak van 8 maart
  3. Daaraan voegt hij het volgende toe.
  4. De Raad stelt vast dat het College bij zijn besluit van 10 mei 2011, aangevuld bij besluit van 20 juni 2011, het door de Raad geconstateerde gebrek dat aan het besluit van 10 maart 2009 kleefde heeft hersteld, door het bedrag van de terugvordering van de kosten van bijstand van betrokkene over de periode van 8 november 2006 tot en met 28 februari 2007 vast te stellen op € 3.696,
  5. 3.
  6. De Raad stelt voorts vast dat nu met het besluit van 10 mei 2011, aangevuld met het besluit van 20 juni 2011, niet geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellanten, het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit. 3.
  7. Nu appellanten in hun zienswijze hebben meegedeeld dat het College met het onder 3.1 genoemde besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak, en ook de Raad dat van oordeel is, moet het beroep tegen dit besluit ongegrond worden verklaard.
  8. De Raad komt op grond van hetgeen in de tussenuitspraak en hetgeen onder 3.2 is overwogen tot de onder III vermelde beslissing.
  9. De Raad ziet tevens aanleiding het College te veroordelen in de (proces)kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en op € 655,50 in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en een half punt voor het indienen van de zienswijze, bij een zaak van gemiddeld gewicht) voor verleende rechtsbijstand en op € 13,-- in beroep voor reiskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 maart 2009 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover het de intrekking van de bijstand van 26 oktober 2006 tot en met 7 november 2006 en de intrekking van 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2007 betreft en voor zover het de terugvordering betreft; Herroept het besluit van 26 juli 2007 voor zover daarbij de bijstand over de periode van 26 oktober 2006 tot en met 7 november 2006 is ingetrokken; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover het de intrekking van de bijstand van 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2007 betreft in stand blijven; Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 mei 2011, nader aangevuld bij besluit van 20 juni 2011, ongegrond; Bepaalt dat appellant een vergoeding voor de kosten in bezwaar toekomt van € 644,--, te betalen door het College; Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.299,50, te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het College aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september
  10. (get.) A.B.J. van der Ham. (get.) P.E. Broekman. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.