10/60 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 november 2009, 09/600 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 9 september 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 4 juli 2011 heeft appellant nadere stukken in het geding gebracht, waarop het Uwv bij brief van 11 juli 2011 heeft gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli
- Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN 1.
- Voor een weergave van het arbeids- en arbeidsongeschiktheidsverleden van appellant verwijst de Raad naar rubriek 1 van de aangevallen uitspraak. 1.
- In dit geding heeft appellant de Raad gevraagd de aangevallen uitspraak te vernietigen. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard tegen het besluit van het Uwv van 30 januari
- In dit besluit heeft het Uwv appellants bezwaar ongegrond verklaard tegen het besluit van het Uwv van 6 oktober
- In laatstgenoemd besluit heeft het Uwv geweigerd terug te komen van zijn besluit van 20 juli 2005 waarin appellant met ingang van 12 februari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.
- Tegen dit laatste besluit heeft appellant destijds beroep ingesteld. Dat beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 6 juni 2006 ongegrond verklaard waarbij de rechtbank de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslag van het besluit van 20 juli 2005 heeft beoordeeld en in orde heeft bevonden. Het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 juni 2006 heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 8 juli 2008, LJN BD7441, waarin de uitspraak van de rechtbank van 6 juni 2006 is bevestigd. 1.
- Het geschilpunt in de in 1.3 bedoelde beroeps- en hoger beroepsprocedure was de wijze waarop het Uwv artikel 35, tweede lid, van de WAO had toegepast. In een vanwege het Uwv gehouden verzekeringsgeneeskundig onderzoek was namelijk gebleken dat er bij appellant al vanaf 1992 medische beperkingen bestaan die tot zijn volledige arbeidsongeschiktheid leidden. Maar appellant had pas op 12 februari 2001 om een arbeidsongeschiktheidsuitkering verzocht. Uit artikel 35 van de WAO blijkt dat een WAO-uitkering niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de aanvraag, tenzij er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die aanleiding geven voor het laten ingaan op een eerdere datum. Dat zou het geval kunnen zijn als appellants gezondheidstoestand in de periode 1992 tot 2000, in het bijzonder wat zijn psychische toestand betreft, zo slecht was dat hij niet in staat was een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in te dienen. Dergelijke bijzondere omstandigheden achtte het Uwv niet aanwezig. Het Uwv is in dat standpunt gevolgd door de rechtbank en deze Raad. Met de in 1.3 vermelde uitspraak van de Raad is definitief beslist dat het standpunt van het Uwv juist is. Het besluit van 20 juli 2005, waarin dat standpunt was neergelegd, is daarmee in rechte onaantastbaar geworden. Dat wil zeggen dat daarmee definitief is vast komen te staan dat de WAO-uitkering van appellant terecht met ingang van 12 februari 2000 is toegekend. 1.
- Volgens artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan echter een nieuwe aanvraag in behandeling worden genomen op voorwaarde dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Een dergelijk verzoek wordt ook wel kortweg aangeduid als een verzoek om terug te komen van het oorspronkelijke besluit (hier het besluit van 20 juli 2005). Het kan hierbij dus niet meer gaan om de vraag of appellant gelijk heeft in zijn stelling dat zijn uitkering al in 1992 of in ieder geval eerder dan 12 februari 2000 had moeten ingaan, want op die stelling was al eerder onherroepelijk beslist door de Raad, maar het gaat nu eerst om de vraag of appellant nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Als dit het geval is dan moet vervolgens worden bekeken of die feiten en omstandigheden het bestuursorgaan ertoe hadden moeten brengen het oorspronkelijke besluit te herzien. Heeft de betrokkene daarentegen geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd, dan mag het Uwv, volgens het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb, de nieuwe aanvraag afwijzen onder verwijzing naar het oorspronkelijke besluit. De toetsing die de rechter toekomt in de laatstbedoelde situatie, is, zoals ter zitting met appellant is besproken, een terughoudende. 1.
- Appellant heeft in een brief van 13 augustus 2008 het Uwv opnieuw verzocht hem met ingang van 1992 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Hij heeft de gevolgen van zijn ziekte sedert de oorzaak daarvan in 1992 - een ongeval op een booreiland - en hetgeen hem daarbij en daarna is overkomen gekenschetst als bijzondere omstandigheden die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn hem al met ingang van 1992 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Het Uwv heeft die brief aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 20 juli
- Naar aanleiding van die brief van appellant heeft het Uwv in het besluit van 6 oktober 2008 geoordeeld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, betrekking hebbend op het oorspronkelijke besluit, heeft vermeld. Het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 20 juli 2005 is daarom afgewezen. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 oktober
- Hij heeft ervan afgezien om gehoord te worden in de bezwaarprocedure. Wel heeft hij stukken van hoofdzakelijk medische aard gestuurd naar het Uwv en in twee telefoongesprekken met een medewerker van het Uwv wederom uiteengezet onder welke omstandigheden hij destijds op het booreiland moest werken en wat de gevolgen waren van het ongeval. Hij heeft gezegd dat hij na en door het ongeluk zo in de war was dat hij toen geen aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering kon indienen. Van die telefoongesprekken is een rapport gemaakt door het Uwv. Het Uwv heeft de stukken die appellant had opgestuurd laten beoordelen door een bezwaarverzekeringsarts. In een rapport van 29 januari 2009 heeft deze bezwaarverzekeringsarts vermeld dat de stukken al bekend waren bij het Uwv en dat er geen reden is terug te komen van het oorspronkelijke besluit. Daarom heeft het Uwv in het besluit van 30 januari 2009 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 oktober 2008 ongegrond verklaard.
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 januari
- Hij heeft aangevoerd dat hij van mening is dat hem ten onrechte een arbeidsongeschiktheidsuitkering is onthouden over de periode 1992 tot en met het jaar
- Hij verzoekt de rechtbank het besluit van 30 januari 2009 te vernietigen en hem alsnog in het bezit te stellen van de gevraagde arbeidsongeschiktheidsuitkering. In een latere brief aan de rechtbank heeft appellant opgemerkt dat het hem zeer tegen de borst stuit dat het Uwv niet van hem wil aannemen dat zijn gezondheidstoestand in de genoemde periode zo slecht was dat hij niet in staat was een aanvraag voor een uitkering in te dienen.
- De rechtbank heeft de beroepsgrond van appellant niet gehonoreerd. Zij overweegt dat met de eerdere uitspraak van deze Raad is komen vast te staan dat het Uwv terecht met ingang van 12 februari 2000 een WAO-uitkering aan appellant heeft verstrekt. Daarmee staat vast dat bij de toekenning van de WAO geen reden aanwezig was om aan te nemen dat appellant niet eerder in staat kon worden geacht om zelf of met hulp van anderen een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vragen. Het staat volgens de rechtbank dus eveneens vast dat er geen sprake was van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de WAO-uitkering eerder kon ingaan. Vervolgens heeft de rechtbank bezien of de gegevens die appellant heeft ingebracht nieuwe gegevens zijn of gegevens die duidden op veranderde omstandigheden. Dat was volgens haar niet het geval omdat al deze gegevens en ook de overige dossierstukken al bekend waren in de eerdere procedure bij de Raad. Het Uwv heeft volgens de rechtbank dus in redelijkheid tot zijn afwijzing van appellants nieuwe aanvraag kunnen komen onder verwijzing naar het eerdere besluit.
- In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat hij destijds niet in staat was een aanvraag voor een uitkering in te dienen omdat hij geestelijk ziek was. Verder heeft hij gesteld dat hulpverleners hem niet op de mogelijkheid hebben gewezen om een uitkering aan te vragen.
- De Raad moet in deze procedure beoordelen of de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen op het beroep van appellant. De Raad oordeelt dat dit het geval is op de volgende gronden. 5.
- De rechtbank heeft terecht onderzocht of appellant zich overeenkomstig het voorschrift van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb heeft beroepen op door hem aangedragen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Daarvan was volgens de rechtbank geen sprake. De Raad, die ook de argumenten van appellant in de huidige procedure heeft vergeleken met de gegevens die appellant in de eerdere procedure bij de Raad naar voren had gebracht, heeft eveneens geconstateerd dat alles wat appellant nu heeft aangevoerd in de eerdere procedure bij de Raad ook aan de orde is gesteld. Er is dus ook naar het oordeel van de Raad geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden met betrekking tot het oorspronkelijke besluit. Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er geen grond is te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van de bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken de nieuwe aanvraag van appellant af te wijzen onder verwijzing naar het oorspronkelijke besluit. De rechtbank is dus terecht tot de slotsom gekomen dat het besluit van 30 januari 2009 de toetsing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb kan doorstaan. 5.
- Daarom zal de Raad de aangevallen uitspraak bevestigen.
- Voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september
- (get.) T. Hoogenboom. (get.) M.A. van Amerongen. KR