10/5592 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 september 2010, 09/4301 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 14 september 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes van 3 november 2010 is overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus
- Namens appellant is mr. Boon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant, die werkzaam was als fulltime orderpikker in een dienstverband met [naam B.V.], heeft zich voor deze werkzaamheden op 28 februari 2007 ziek gemeld wegens overspannenheid. Het dienstverband is met ingang van 20 maart 2007 beëindigd. Bij besluit van 1 mei 2007 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 20 maart 2007 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Van 18 februari 2008 tot 25 maart 2008 heeft appellant als productiemedewerker werkzaamheden verricht via een uitzendbureau. 1.
- Op basis van een rapportage van verzekeringsarts J.W.M. Gielen van 22 februari 2008, die beschikte over een op zijn verzoek opgestelde rapportage van een expertise door psychiater prof. dr. E.J. Colon, heeft het Uwv bij ongedateerd besluit aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij geschikt werd geacht voor zijn arbeid. Bij besluit van 2 juni 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het ongedateerde besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld niet ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. 1.
- Bij uitspraak van 26 maart 2009 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 juni 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. 1.
- Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 26 maart 2009 heeft het Uwv op 28 augustus 2009 een nieuw besluit op bezwaar (hierna: bestreden besluit) genomen. Daarbij is het bezwaar van appellant tegen het besluit tot weigering van ziekengeld per 1 januari 2008, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes van 26 augustus 2009, gegrond verklaard en is het recht op ziekengeld beëindigd per 18 februari
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, die is afgegaan op de bevindingen van psychiater Colon, voldoende is gebleken dat op de datum in geding bij appellant geen sprake was van een geobjectiveerde psychische stoornis die aan het verrichten van zijn arbeid in de weg stond. Gelet hierop kon de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de rechtbank concluderen dat appellant op de datum in geding weer geschikt was voor zijn arbeid. Ook de in beroep door appellant overgelegde medische informatie heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid.
- In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar hetgeen hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat hij vanwege zijn psychische klachten vanaf 18 februari 2008 niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar de door hem bij de rechtbank overgelegde brieven van zijn psychiater P.J.E. Roks en naar een specialistenbericht naar aanleiding van de verwijzing van appellant door de huisarts naar de GGZ. Volgens appellant blijkt uit de door hem in hoger beroep overgelegde medische informatie dat het Uwv ten onrechte de conclusies van psychiater Colon heeft gevolgd, omdat bij hem sprake was van een schizofrene ontwikkeling.
- De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 4.
- De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes in haar rapportage van 26 augustus 2009, met inachtneming van de bevindingen van psychiater Colon, op inzichtelijke wijze de medische beperkingen van appellant heeft onderbouwd. Uit deze rapportage blijkt dat bij appellant op de datum in geding sprake is van persoonlijkheidsproblematiek, maar niet van een persoonlijkheidsstoornis. Wel van cluster-B persoonlijkheidstrekken naast afhankelijkheid van middelen. De overgelegde diagnostische gegevens van psychiater M.W.J.T. Scherders en die in het expertiserapport van psychiater Colon komen in grote lijnen overeen. Uit de rapportage van Colon blijkt voorts dat hij rekening heeft gehouden met de psychische klachten van appellant, alsmede met het gebruik door appellant van het middel diazepam. Hij heeft bij appellant geen indicaties kunnen vaststellen die duiden op een recent of actueel psychotisch of prepsychisch functioneren. Hij heeft appellant met deze problematiek wel in staat geacht om te kunnen werken. Gelet op de voorhanden medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat appellant op de datum in geding in staat was tot het verrichten van zijn werk. 4.
- Op de door appellant in beroep ingebrachte medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd in haar rapportage van 1 juni
- Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gegevens van psychiater Roks van 22 april 2010 en van 3 mei 2010 geen betrekking hebben op de datum in geding en dat daarmee onvoldoende is onderbouwd dat appellant op de datum in geding zodanig kampte met psychische of psychotische klachten dat hij vanuit medisch objectief oogpunt niet in staat was om zijn arbeid te verrichten. Naar aanleiding van hetgeen appellant hiertegen in hoger beroep heeft aangevoerd heeft bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes in haar rapportage van 3 november 2010 aangegeven dat er geen aanleiding is om met betrekking tot de geschiktheid van appellant voor zijn arbeid op de datum in geding een ander standpunt in te nemen. 4.
- Op de door appellant bij brief van 19 juli 2011 in hoger beroep overgelegde informatie betreffende een behandelplan en een brief uit het onderzoeksdossier van de GGZ heeft het Uwv gereageerd met een rapportage van bezwaarverzekeringsarts H.H. Häuser van 25 juli
- Deze heeft aangegeven dat niet wordt bestreden dat appellant na de datum in geding psychotisch is gedecompenseerd, maar dat met de overgelegde informatie niet kan worden aangetoond dat bij appellant sprake is van een schizofrene ontwikkeling. Onder verwijzing naar de rapportage van psychiater Colon, die appellant heeft gezien rond de datum in geding, ziet deze bezwaarverzekeringsarts evenmin aanleiding om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Ook de bij brief van 2 augustus 2011 overgelegde reactie van psychiater Roks, die heeft bevestigd dat er wel sprake is van een chronisch psychotische stoornis, van een chronisch paranoïde schizofrene psychose, heeft de bezwaarverzekeringsarts blijkens het verhandelde ter zitting geen aanleiding gegeven zijn standpunt te herzien omdat over het ontstaan van de genoemde stoornis geen duidelijkheid bestaat en de informatie geen betrekking heeft op de datum in geding. Gelet op deze reacties van de bezwaarverzekeringsarts en de onderliggende medische informatie ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. 4.
- Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) T.J. van der Torn. TM